Bijschrift wordt geladen... |
|
|
|
'Wat als de olie op is?' Onder die titel verschijnt morgen een boek dat mythes rond alternatieve energie uit hernieuwbare bronnen doorprikt. 'Het is geen aanzet tot cynisme, maar een uitnodiging tot realisme', schrijven Filip Van Den Abeele en Lieven Scheire.
'Er bestaan geen sprookjesoplossingen, en het is al evenmin een zwart-witverhaal. Dat we voor fossiele verbranding alternatieven nodig hebben, is zonneklaar. Maar die alternatieven moeten wel naar hun échte waarde worden geschat', luidt het statement van ingenieur Filip Van Den Abeele en diens jeugdvriend Lieven Scheire, bekend van De Neveneffecten en vorig jaar nog een vaste gast in De laatste show. 'Nu groen en duurzaam flink gesubsidieerde marketingtermen geworden zijn, valt er namelijk goed geld mee te verdienen. Wolven en vossen vinden in dit landschap vlotjes de weg naar schapenvellen en het preken der passie.' Een voorpublicatie.
Mythe 1 Een zonnepaneel levert groene stroom
Fotovoltaïsche panelen zetten zonlicht om in elektriciteit en leveren dus groene stroom. Maar als je het volledige plaatje in ogenschouw neemt, dan kom je algauw in een grijze schemerzone terecht. Zonnepanelen werken namelijk met halfgeleidertechnologie en gebruiken materialen als silicium of cadmium. Silicium wordt bijvoorbeeld ook gebruikt voor de vervaardiging van computerchips. Bij de productie van silicium is zeer veel energie nodig en komen heel wat schadelijke stoffen vrij. Voor het fabriceren van zonnepanelen zijn bijtende chemische producten als zoutzuur, zwavelzuur en salpeterzuur nodig. Ook giftige stoffen als fosfor en arseen worden gebruikt.
In België duurt het jaren vooraleer een zonnepaneel meer energie opbrengt dan het heeft gekost. Sommige bronnen beweren zelfs dat het productieproces meer energie vergt dan het zonnepaneel ooit zal kunnen opleveren! Andere wetenschappers hebben becijferd dat een zonnepaneel, wegens dit productieproces, eigenlijk voor elk geleverd kWh tot 100gram CO2 uitstoot. Ter vergelijking: bij de verbranding van aardgas komt 450 g/kWh vrij en voor steenkool loopt dat op tot 850 g/kWh.
Zonnepanelen zijn dus nog altijd milieuvriendelijker dan fossiele brandstoffen, maar je kunt de opgewekte elektriciteit bezwaarlijk groene stroom noemen.
Mythe 2 Windenergie is CO2-neutraal
Bij de verbranding van olie, gas of kolen komt veel CO2 vrij, een windturbine draait zónder uitstoot van broeikasgassen. Nochtans is windenergie allerminst CO2-neutraal. Windmolens zijn immers opgetrokken uit stalen constructies. En ondanks aanhoudende inspanningen van de industrie is het niet mogelijk ruwijzer te produceren zonder CO2 uit te stoten. Voor elke ton ruwijzer die de hoogoven verlaat, wordt ongeveer een ton CO2 uitgestoten.
De reusachtige windturbines die momenteel worden geïnstalleerd, bevatten vaak meer dan duizend ton staal. Dat betekent dat er ongeveer evenveel CO2 werd geproduceerd nog voor de wieken een eerste keer hebben gedraaid. Die wieken zijn bovendien gemaakt uit composieten: een speciale kunststof, versterkt met glasvezels. En ook de vervaardiging van composietmaterialen, waarvoor hars en lijmcomponenten noodzakelijk zijn, is milieubelastend.
Bij de windmolenparken op zee is het verhaal nog minder fraai. Daar rusten de molens doorgaans op een betonnen sokkel en bij de productie van cement komt nóg veel meer broeikasgas vrij. Als je alleen het staal in rekening brengt, en dus abstractie maakt van beton, transport en installatie, dan blijft de CO2-uitstoot beperkt tot zowat 5g/kWh. Windenergie is dus niet volledig CO2-neutraal, maar alleszins een stuk schoner dan bijvoorbeeld zonnepanelen.
De vergelijking van energiebronnen op basis van hun CO2-uitstoot is als dansen op een heel dun koord. Het vergt een delicate evenwichtsoefening om genuanceerde uitspraken te kunnen doen. Van fossiele brandstoffen is de rechtstreekse uitstoot eenvoudig te meten, maar je moet ook het transport van die brandstoffen en de levenscyclus van de centrale in kaart brengen. Voor hernieuwbare energiebronnen is de CO2-uitstoot alleen onrechtstreeks: ze zit verscholen in de bouw van een stuwdam of de installatie van een windmolen op zee. Op die manier wordt de berekening sterk afhankelijk van de grenzen die je trekt.
Een stuwdam is opgetrokken uit beton, een windmolen bevat staal. Je kunt daarvan relatief eenvoudig begroten hoeveel energie je op voorhand al nodig hebt en hoeveel CO2 daarbij vrijkomt. Maar moet je ook de uitlaatgassen van het woon-werkverkeer van iedere staalarbeider in rekening brengen? En wat met de stellingbouw bij de aanleg van een stuwmeer? Door te spelen met de omvang en diepgang van de levenscyclus, kun je bijna alles bewijzen.
De cijfers maken het echter toch mogelijk te besluiten dat hernieuwbare energiebronnen een kleinere ecologische voetafdruk hebben dan fossiele brandstoffen. De belangrijkste conclusie luidt dat de berekeningen van de CO2-uitstoot minstens even vluchtig zijn als het broeikasgas zelf.
Mythe 3 Uitlaatgassen van biodiesel zijn onschadelijk
Biodiesel wordt aangeprezen als een milieuvriendelijke en onschadelijke brandstof: van sojabonen of zonnebloempitten kan je toch geen hinderlijke uitlaatgassen verwachten?
De uitstoot van zwavel en CO2 ligt inderdaad veel lager dan bij gewone brandstof, maar toch is enige nuance op zijn plaats. Om te beginnen is biodiesel vandaag een mengeling die uit overwegend traditionele olie bestaat. Hooguit twintig procent is afkomstig uit dierlijk vet of plantaardige olie. De uitlaatgassen bevatten dus nog altijd giftige dampen. Bovendien ligt het vermogen van een wagen op biodiesel ongeveer tien procent lager, waardoor je vaker moet tanken.
Als je op zuivere biodiesel rijdt, komt er geen zwavel meer vrij en wordt de uitstoot van fijnstof en CO2 gehalveerd. Maar biodiesel heeft ook zijn nadelen. Zo ligt de uitstoot van stikstofverbindingen (NOx) bijvoorbeeld gevoelig hoger, wat de vorming van smog in de hand werkt. Het lijdt geen twijfel dat biobrandstoffen voor benzine en diesel een goed alternatief kunnen zijn, maar het valt nog altijd niet aan te bevelen de uitlaatgassen in te ademen. Je mag ook niet vergeten dat het heel wat energie (en brandstof!) vergt om biodiesel te produceren.
Ten slotte heeft de huidige generatie biodiesel nog altijd een pervers effect: de rijken rijden doordat ze landbouwgrond inpalmen van zij die honger lijden.
Mythe 4 Waterkracht- centrales zijn milieuvriendelijk
Zonnepanelen, windmolens en biobrandstoffen hebben een impact op het milieu, maar het benutten van de kracht van stromend water lijkt volstrekt onschuldig. Nochtans hebben ook waterkrachtcentrales een niet te verwaarlozen impact op mens en milieu. Zo bevat de Drieklovendam in China bijna drie miljoen kubieke meter beton, met een navenante erfenis aan CO2-uitstoot als gevolg.
Een kunstmatig stuwmeer verstoort bovendien het natuurlijke ecosysteem van vissen en waterplanten. Vooral de hoeveelheid zuurstof in het water ter hoogte van een dam moet nauwlettend worden opgevolgd. Visliften zijn aangewezen om de ecologische impact van riviercentrales te beperken.
Getijdencentrales hinderen dan weer de normale werking van eb en vloed, waardoor zeevogels en vissen in de war dreigen te raken. En de honderdduizenden Chinezen die gedwongen werden te verhuizen, zullen wellicht beamen dat hydro-elektriciteit ook op hun leven een invloed heeft.
Mythe 5 Auto's kunnen binnenkort op kraantjeswater rijden
Het is een hardnekkig misverstand dat wagens in de toekomst op water zullen rijden. Vandaag zijn al waterstofmotoren ontwikkeld, maar waterstof is geen energiebron - het is een dráger van energie. Meestal wordt waterstof gewonnen uit de omvorming van... aardolie. Op die manier kun je dus geen waterstof winnen wanneer de olie op is. Een andere methode is water splitsen in zuivere zuurstof en waterstof. Hiervoor heb je echter elektriciteit nodig en die komt vandaag nog overwegend van thermische centrales.
Waterstof heeft een toekomst, maar slechts op erg lange termijn, wanneer we in staat zullen zijn om het leeuwendeel van onze elektriciteit op te wekken via zonnepanelen, windmolens of stuwdammen.
Lieven Scheire en Filip Van den Abeele, 'Wat als de olie op is?', uitg. Borgerhoff & Lamberigts, 224blz., 19,95 euro.