Dokters in ons land zijn best bereid om meer goedkope medicijnen voor te schrijven. Zo blijkt uit een steekproef bij 100 huisartsen van Febelgen, de federatie van farmabedrijven die generische geneesmiddelen maken. Die vaststelling is opmerkelijk, met het oog op het debat over hoe we de ziekteverzekering betaalbaar houden.

90 procent van de Belgische huisartsen beseft dat ze kunnen helpen door zoveel mogelijk ‘goedkoop' –een generiek medicijn, kopie of merkproduct dat zijn prijs verlaagde– voor te schrijven. En ze willen dat ook echt doen.

Sinds 2005 moet een huisarts in minstens 27 procent generieken voorschrijven, maar in de praktijk zitten velen al aan 40 procent. ‘En volgens ons onderzoek kunnen ze tot 58 procent goedkoop gaan', zegt Olivier Remels, woordvoerder van Febelgen.

‘Dat is fantastisch. Meer goedkope medicijnen betekent minder kosten voor de ziekteverzekering. Ook de patiënt moet geen supplement (extra kost als de arts een duurdere variant voorschrijft, nvdr.) meer betalen en vaart er beter bij.' 74 procent van de artsen wil de verplichting van 27 procent omhoog.

Een verhoging zou de staat alvast een flinke duit opleveren. Als dokters in 60 procent van hun voorschriften een goedkoop medicijn kiezen, kan het Riziv 100 miljoen euro besparen, berekende Febelgen. De patiënt zou dan 40 miljoen euro minder aan supplementen moeten betalen.

Vraag is waarom dokters niet per definitie voor het goedkoopste medicijn kiezen. ‘Artsen waren aanvankelijk sceptisch tegenover goedkope medicijnen', vertelt Remels. ‘De omschakeling vraagt ook aanpassing. Jarenlang schreven artsen hetzelfde product voor en plots is er een rist goedkopere varianten voorhanden.' ( )