Marcel is de jongste telg uit een gezin met vijf kinderen,uit Wilrijk, hij was negen jaar toen de oorlog uitbrak. Marcel’s moeder kwam er toen alleen voor te staan en het gezin maakte een moeilijk tijd door.

Via boerenhulp aan stadskinderen werd Marcel opgevangen in een landbouwersgezin. Op 14-jarige leeftijd begon hij te werken in de Gevaertfabriek in Mortsel. Gerugsteund door een ploegbaas zou Marcel opnieuw gaan studeren. Eerst handelstudies en later na zijn legerdienst bij de Zeemacht als verpleger, ging Marcel op internaat in het Dr. Guislain instituut in Gent. Hij volgde er de opleiding 'krankzinnigenverpleger', een richting waar ook mannen in toegelaten werden.

Nog steeds gemotiveerd volgde Marcel hierop 'medisch sociaal werk' in Brussel. Na vier jaar werken in het Stuyvenberggasthuis in Antwerpen werd hem een functie aangeboden bij het OCMW van Brussel. Zijn werkterrein werd de omgeving van Sint Pieter, de Marollen en het Brugmannplein. Omwille van de moeilijke communicatie met de vele vreemdelingen studeerde Marcel s’avonds Turks en Arabisch. De vrij moeilijke jaren die Marcel als kind meemaakte waren de aansporing om verder te studeren en hoger op te raken. Daar is hij met glans in geslaagd.

Georgine is het tweede oudste kind uit een gezin van zeven dat in de Vaartstraat woonde. Op haar veertiende ging Georgine naar de Normaalschool in Gijzegem voor de opleiding onderwijzeres. Na haar opleiding gaf ze drie jaar les in Borchtlombeek, een deelgemeente van Roosdaal, in een school voor buitengewoon onderwijs. De toenmalige schoolwetgeving maakte een einde aan Georgine’s carrière, want in het katholieke onderwijs mocht je toen geen les geven als je getrouwd was. Op een paar interimjobs na, heeft Georgine dan maar noodgedwongen de stoffenhandel van haar moeder overgenomen. Vooral het vervaardigen van gordijnen en draperiën behoorde tot de specialiteiten van Georgine. Deze activiteit heeft ze 30 jaar lang uitgeoefend.

Marcel en Georgine leerden mekaar kennen in het vakantiehuis van de CM in Spa waar Marcel een job als verpleger gevonden had. Ze huwden op 26 juli 1962 en kregen twee kinderen: Sofie en Kristof.

Marcel was een zeer gedreven man die altijd de sociale onrechtvaardigheid aangeklaagd heeft. Dit gebeurde niet alleen in zijn werk, maar hij voelde zich ook geroepen om sociale organisaties mee te ondersteunen. Marcel was vrijwilliger bij de hulpdiensten van Vlaams Kruis en lesgever in het Rode Kruis. Hij was afgevaardigde van de Jeugdrechtbank in Antwerpen en later in Brussel, hij was ook meewerkend lid van het Beschermcomité voor Vrijgelaten Gevangenen en Verwaarloosde jeugd te Antwerpen. Ook in de vrijwilligersorganisatie 'Nieuw Gent', een arbeiderswijk achter het UZ, was Marcel actief. Een aantal sleutelkinderen waarvan de ouders geen opvang konden betalen, bracht Marcel op woensdagnamiddag mee naar huis. In Kalken heeft Marcel de afdeling van het Rode Kruis in 1971 mee opgericht. Hij is ook al jaren lid van het Davidsfonds.

Georgine en Marcel zijn beide cultuurfanaten. Beiden genieten graag van een opera of een muzikale zangavond. Hun voorkeur gaat uit naar ludieke optredens zoals My fair Lady in het Antwerpse dialect.

Georgine en Marcel gingen niet alleen op daguitstap met de kinderen; ze maakten ooit een onvergetelijke reis naar Israel. Jeruzalem, de rituele baden bij Massada, de Klaagmuur en synagogen lieten een onvergetelijke indruk na.

Na 50 jaar is Marcel tevreden dat Georgine nog steeds met veel toewijding naar zijn Antwerpse uitspraak wil luisteren. Georgine vertelt dat Marcel steeds een idealist geweest is met een sterke sociale bekommernis voor de kansarmen.