Houtbouw betekent dat alle dragende elementen van een woning uit hout zijn vervaardigd. De oudste manier van houtbouw is houtmassiefbouw. Oorspronkelijk werd deze
bouwmethode vooral toegepast in Noord- en Midden-Europa, Noord-Amerika en Canada. De moderne variant van houtmassiefbouw vertrekt van geprofileerde houten balken die in de fabriek genummerd worden en vervolgens in containers naar de werf gebracht waar ze op basis van een logboek op elkaar worden gestapeld. Waar de balken elkaar
kruisen wordt een halfhoutse of mechanische verbinding aangebracht. Deze kruising zorgt voor de stabiliteit. Het werken van het hout wordt opgevangen met zettingsruimten en
bewegingsvoegen.
De meest gekende houtbouwmethode in Vlaanderen is houtskeletbouw. Bij een houtskeletwoning bestaan de binnenwanden uit verticale, meestal massieve naaldhouten
stijlen van bijvoorbeeld 38 x 89 mm of 46 x 96 mm die op een vaste afstand van 40 cm of 60 cm van elkaar worden geplaatst en onderling met elkaar verbonden zijn door  horizontaal bevestigde kepers van dezelfde doorsnede. Zo worden kaders gevormd. De structuur is stabiel dankzij het plaatmateriaal dat op de houten kaders wordt vastgespijkerd. In de vakken tussen het skelet en de panelen komen isolatie en alle
uitrustingen (verwarming, elektriciteit, enz.). De binnenzijde wordt meestal afgewerkt met gipskartonplaat. Rondom de structuur wordt meestal gekozen voor bakstenen of een
houten betimmering.

Snelle bouwmethode

In de Verenigde Staten en in Zweden wordt tegenwoordig ruim 90% van alle eengezinswoningen opgetrokken met een houten skelet. Dat komt vooreerst door de snelheid van uitvoering, een gevolg van de min of meer doorgedreven
automatisering van de fabricage- en montagetechnieken. De graad van prefabricage is afhankelijk van de bouwfirma en gaat van een eenvoudige open plaat die enkel de stijlen en de dwarsregels van het skelet bevat, tot gesloten platen waarin de thermische isolatie, het dampscherm en de binnenwand zijn ingewerkt. Het werk op de werf beperkt zich tot de
montage van de geprefabriceerde platen.
Een houtskeletwoning is snel wind- en waterdicht, en klaar voor de afwerkfase. Gemiddeld verlopen er maar vier maanden tussen het uitgraven van de funderingen en het moment dat je kan verhuizen.

Droog bouwsysteem

Houtbouw is een ‘droge’ bouwtechniek. Na afwerking kan je zo goed als meteen in je nieuwe woning intrekken. Klassieke bouwtechnieken daarentegen moeten worden gevolgd door een droogproces.
Voor de constructie en afwerking van een traditioneel gebouwde woning is er gemiddeld 6.000 liter water nodig, vocht dat uit de woning zal moeten verdwijnen. Bij houtskeletbouw
komt er alleen voor de dekvloer bouwvocht in een woning. Nieuwe houtskeletwoningen hoeven dan ook niet ‘drooggestookt’ te worden. Dat laat niet alleen een snellere
afwerking toe, het vermijdt ook mogelijke gezondheidsrisico’s voor je gewrichten en luchtwegen. Een woning zonder veel bouwvocht is bovendien gemakkelijker te verwarmen.

Beperkt gewicht

Een houtskeletwoning is een stuk lichter dan een klassiek gemetselde woning. Daardoor kan een lichtere fundering volstaan, wat je flink wat geld kan besparen. Voor een traditionele woning moet de ondergrond een draagvermogen hebben van ongeveer 2,5 kg/cm². Voor een houten woning is een draagvermogen van ongeveer 1,5 kg/cm² voldoende. Dat maakt houtskeletbouw een ideale bouwmethode voor bouwgronden met minder draagkracht.
Dankzij het lichte gewicht is houtskeletbouw ook een prima oplossing voor het ‘optoppen’ van een woning, het bouwen van extra verdiepingen op een bestaand pand.

Minder verwarming volstaat

De wanden van een houtconstructie kunnen veel gemakkelijker een veel hogere isolatiewaarde bereiken dan een traditionele, geïsoleerde spouwmuur van dezelfde
dikte. Dit komt doordat de structuur zelf met isolatie gevuld wordt en hout op zich een betere warmteweerstand heeft dan ‘koude’ materialen zoals baksteen, kalkzandsteen, enz. Een muur in houtskeletbouw met stijlen van 38x140 mm, geïsoleerd met 14 cm minerale wol, en met een buitenspouwblad in metselwerk heeft een totale dikte van ongeveer 30 cm en een warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) van ongeveer 0,25 W/m²K. Een traditionele, geïsoleerde spouwmuur in metselwerk heeft bij eenzelfde muurdikte een
U-waarde die ongeveer dubbel zo hoog is. De Uwaarde staat voor het warmteverlies per vierkante meter.
Een goede isolatie betekent niet alleen een besparing van energie, maar vooral een behaaglijk woonklimaat. Door de geringe geleidbaarheid is er bijna geen verschil in temperatuur tussen het wandoppervlak en de omgeving. Bouwfirma’s van
houtskeletwoningen stellen dat een houtskeletwoning maar tot 18 °C verwarmd moet worden om hetzelfde comfortgevoel te krijgen als in een traditioneel gebouwde woning met een binnentemperatuur van 20 °C à 22 °C.

Lange levensduur

Een houten huis kan even lang mee gaan als een huis in baksteen of beton. Mits een goede preventieve behandeling en een doordacht ontwerp wordt een houten woning niet aangetast door schimmels of door insecten.

Hernieuwbaar en recycleerbaar

Hout is één van de weinige hernieuwbare grondstoffen. Een bos kan je weer aanplanten of op een natuurlijke manier verjongen. Hout heeft bovendien een geringe milieubelasting,
zowel tijdens de productie als in de gebruik- en afvalfase.
Voor de productie van een houten ligger is vijf maal minder energie nodig dan voor de productie van een betonbalk met vergelijkbare technische eigenschappen. Op het einde van hun levenscyclus kunnen houten geraamtes en zware planken gemakkelijk worden hergebruikt. Nadien kunnen ze worden gerecycleerd tot bijvoorbeeld spaanplaat. Houtresten kunnen worden gecomposteerd of kunnen dienen als energiebron.

Vermindert de CO2-uitstoot

Hout is een natuurlijk materiaal dat door bomen wordt aangemaakt op basis van water, CO2 en zon. Het meeste hout bestaat uit 50% koolstofdioxide, 42% zuurstof, 6% waterstof, 1% stikstof en 1% diverse elementen. In hout wordt de CO2 uit de lucht gedurende lange
tijd opgeslagen in vaste vorm, waardoor het broeikaseffect wordt afgeremd. Gemiddeld
slaat 1 m³ hout 0,9 ton koolstofdioxide op.
Daarnaast speelt het zogenaamde substitutie-effect: er kan nog eens 1,1 ton extra koolstofdioxide- uitstoot worden bespaard door hout te gebruiken in plaats van materialen zoals beton of plastiek. Elke kubieke meter hout in plaats van materialen die voor hun productie fossiele energie verbruiken, kan in totaal dus ongeveer 2 ton CO2 besparen.