De staatsschulden in de zeventien eurolanden namen toe van 85,3 procent eind 2010 naar 87,2 procent eind vorig jaar. De afspraak is dat landen zich aan hoogstens 60 procent moeten houden. Voor de hele Europese Unie stegen de staatsschulden van 80 naar 82,5 procent. 

 De staatsschuld ligt boven 100 procent van het bbp in Griekenland (165 procent), Italië (120 pct), Ierland en Portugal (telkens 108 procent). Dan volgt België met een staatsschuld van 98 procent. Ideaal is anders, maar toch hoeven de Belgen zich niet meteen ongerust te maken. De Belgische burger zit namelijk privé op een mooie berg kapitaal, in tegenstelling tot de burgers in de zuidelijke probleemlanden. 
 
Estland, Bulgarije en Luxemburg zijn de goede leerlingen in de klas en houden de staatsschuld onder de 20 procent van het bbp. 
 
De begrotingstekorten in de eurozone - waar normaal 3 procent de norm is - kwamen eind vorig jaar uit op 4,1 procent van het bbp. Eind 2010 was dat 6,2 procent. In de hele Europese Unie was er een daling van 6,5 naar 4,5 procent.
 
De hoogste begrotingstekorten werden genoteerd in Ierland (13 procent), Griekenland (9 procent) en Spanje (8,5 procent). België had eind 2011 een tekort van 3,7 procent. Zweden, Estland en vooral Hongarije boekten dan weer overschotten op hun begroting (ruim 4 procent).