De eurocrisis leek lange tijd een smeulend vuur, moeilijk te doven, maar met een paar noodgrepen wel onder controle te houden. Vandaag lijkt die crisis meer op een uitslaande brand die zich over heel Zuid-Europa verspreidt en de rest van Europa dreigt aan te tasten. Griekenland, met zijn mini-economie van olijven en toerisme, werd maar node overeind gehouden. De uitdaging om én Spanje én Italië én een paar kleintjes voor de ondergang te behoeden is van een totaal andere orde. Volgens de ene heeft de eurozone nog een paar maanden, volgens de andere nog een paar dagen. Maar zeker is dat het beslissende moment nadert en dat de goede afloop verre van verzekerd is.

De kapitein van de Titanic kon nog als excuus gebruiken dat hij de ijsschotsen totaal niet had zien aankomen. Dat excuus hebben de Europese leiders niet. De problemen zijn nu al twee jaar duidelijk, ze zijn intussen alleen maar groter geworden. Telkens als een deel van het probleem acuut werd, vonden ze wel een (tijdelijke) oplossing, die telkens weer onvoldoende bleek te zijn. Maar voor het overige werd en wordt er vooral gediscussieerd over de te volgen koers. Zonder dat die discussie echt beslecht wordt.

De landen die nu in de problemen zitten, hebben een verantwoordelijkheid te nemen. De Grieken beslissen zondag of ze toch nog één keer de partijen het vertrouwen geven die met Europa willen samenwerken of dat ze voor het avontuur kiezen. De Spanjaarden en de Italianen kondigen al extra maatregelen aan. Maar alleen zullen die landen het probleem niet oplossen. Ook de leiders van de machtigste eurolanden, Duitsland op kop, komen de volgende dagen voor hun verantwoordelijkheid te staan. Ze kunnen blijven discussiëren terwijl het schip zich te pletter vaart. Of ze kunnen een ruk aan het roer geven. De ideeën zijn er, de mogelijkheden liggen op tafel. Hopelijk hebben ze intussen een plan én de wil om het uit te voeren.