Je zou dat een corporatistische reflex kunnen noemen. Politici kunnen hard zijn in het politieke debat, zelfs ongenadig, maar zodra het debat over hun werkethiek (of hun verloning) gaat, komen de stekels meteen omhoog. Dat is voor een stuk te begrijpen: politici behoren niet tot de meest gewaardeerde beroepsgroep in deze samenleving, dat is een understatement van formaat. Al te vaak worden ze versleten voor postjespakkers en poenscheppers. Dat klopt natuurlijk niet: in de politiek worden uren geklopt die een overgrote meerderheid van de bevolking zelfs niet bij benadering presteert. Jan Peumans bevestigt met zijn uitspraken het beeld dat in de brede samenleving over zijn beroepsgroep leeft.

Maar om nu te zeggen dat het Vlaams Parlement perfect functioneert? Nee, zeker niet. Peumans mag kritiek hebben, hij heeft voor een stuk zelfs gelijk. (Alleen is het spijtig dat hij geen namen noemt). Te veel politici zijn alleen maar fysiek aanwezig tijdens de debatten in het halfrond, of zelfs niet eens dat. Vaak zijn dat burgemeesters, een enkele keer een festivalorganisator of zelfs een partijvoorzitter.

Maar uiteindelijk gaat het zelfs daar niet om. Zaak is niet dat het parlement niet hard genoeg werkt, het werkt vooral op een foute manier. Sommige parlementsleden maken er een sport van om zoveel mogelijk vragen te stellen, alsof dat een graadmeter zou zijn van hoe hard ze werken. Velen onder hen hebben te weinig ervaring, en zijn te weinig bedreven in de kunst die het politieke debat toch is. Ze slagen er bijgevolg ook niet in om de regering het vuur aan de schenen te leggen. De oppositie zit vol nieuwelingen en de meerderheid is te mak. Ook omdat ze voor een stuk bevolkt wordt door opvolgers, die afhankelijk zijn van de minister die ze moeten controleren. Dat afschaffen zou een goede zaak zijn. Maar uiteindelijk is het aan de kiezer. Om de zoveel jaar krijgt die de kans politici de laan uit te sturen.