1. Ga steeds voor een oneven aantal patronen. Begin met drie patronen, waarvan de grootte van het motief verschilt.

Kies eerst het meest opvallende patroon, waarvan u denkt dat het best de stemming zal weergeven. Alles mag, maar kies voor een groot motief. Het tweede patroon moet een aantal kleuren delen met de eerste keuze, maar het motief is best half zo groot. Voor het derde en laatste patroon kiest u ofwel een complementaire ofwel een neutrale kleur, met nog een kleiner motief.

2. Wit is een goede basis waarop elk patroon apart mooi uitkomt, terwijl het ook de verschillende motieven netjes samenbrengt. Zorg er wel voor dat u steeds dezelfde tint gebruikt, anders zal het geheel rommelig overkomen.

3. Blijf steeds met dezelfde kleurtonen werken. Primaire kleuren combineren met zachte pastels is geen goed idee, net zomin als gedempte tinten met warme edelsteenkleuren. Vasthouden aan hetzelfde kleurenpalet daarentegen zorgt voor harmonie, en dan kunt u zelfs een bloemenmotief met ruitjes en streepjes combineren.

4. Zorg voor ruimte tussen de patronen. Te veel drukte bij elkaar geeft allesbehalve een rustige sfeer en dus is het belangrijk dat u tussen twee patronen in genoeg effen kleurvlakken brengt om voor evenwicht te zorgen. Houd er ook rekening mee dat andere elementen in de kamer, zoals een haardvuur, een motief kunnen hebben.

5. Durf. Voor een groots effect moet u net verschillende soorten prints met elkaar combineren. Polkastippen met paisley, strepen en een bloemenprint? Het kan verkeerd lopen, maar wanneer u in hetzelfde kleurenpalet blijft en rekening houdt met de grootte van het motief zal u net een interieur uit de catalogus krijgen.