Vorige maand probeerde komiek Bert Gabriëls op vraag van Groen om het een maand met een leefloon van minder dan 1.000 euro uit te houden. Al snel besefte hij dat dit voor hem niet haalbaar was.

Nochtans stijgt het aantal mensen dat moet rondkomen met een leefloon van het OCMW in ons land. Voor de financiële crisis in 2008 ging het om 83.038 Belgen, vandaag zijn dat er al 94.947. Vooral het aantal leefloongerechtigden jonger dan 25 jaar is sterk gestegen, blijkt uit cijfers van de federale Programmatorische Overheidsdienst (POD) Maatschappelijke Integratie.

Hoewel het aantal leefloners globaal gezien toeneemt, is er in de grote steden (Brussel, Antwerpen, Gent, Luik en Charleroi) eerder een daling.

Per gemeente zijn er in België gemiddeld 8,7 inwoners op 1.000 die moeten rondkomen met een leefloon.

Aantal leefloners per gemeente

Hoe zit het in jouw gemeente? Klik een gemeente aan op onderstaande kaart en ontdek:
- Hoeveel inwoners ontvangen gemiddeld per maand een leefloon?
- Hoeveel inwoners in totaal deden in 2011 een beroep op een leefloon (* cijfers voor volledig 2012 zijn nog niet beschikbaar voor alle gemeenten)




* Legende kaart: Aantal leefloners in 2011


Wie zijn leefloners?

- Vooral vrouwen doen beroep op een leefloon.

- Eén derde van de leefloners is jonger dan 25 jaar.

- Leefloners hebben vooral de Belgische nationaliteit. 1 op 10 begunstigden komt uit Europa en 1 op 5 heeft een niet-Europese nationaliteit.


Kloof tussen gemeenten groeit

De POD Maatschappelijke Integratie maakt nog een onderscheid tussen gemeenten met een laag inkomen ('arme' gemeenten) en een hoog inkomen ('rijke' gemeenten). In de armere gemeenten steeg het aantal leefloners van gemiddeld 13 per 1.000 inwoners in 2003 tot 17,8 per 1.000 in 2012. In de rijkere gemeenten gaat het om een lichte stijging van 3 per 1.000 inwoners in 2003 tot 3,5 in 2012.

Het aantal OCMW-gerechtigden is ook sneller gestegen in arme gemeenten dan in rijke gemeenten. In 2012 was het aantal steuntrekkers van het OCMW per 1.000 inwoners vijf keer hoger in arme gemeenten dan in rijke gemeenten. In 2003 was die verhouding nog 1 op 3.