Op 14april 1931 werd in Spanje op democratische wijze de Tweede Republiek gevestigd en bekrachtigd door een nieuwe grondwet. De conservatieve koning Alfonso XIII ging in ballingschap en er kwam een socialistisch- republikeinse regering aan de macht. Er werd toegegeven aan de nationalistische eisen van Baskenland en Catalonië. De privileges van de kerk, de adel en de grootgrondbezitters werden ingeperkt.

Samen met het leger, rechtse groeperingen en de monarchisten, los carlistas, verzetten die zich al snel tegen het linkse avontuur. In '36 wonnen de republikeinen en de socialisten echter opnieuw de verkiezingen. Een militaire staatsgreep was de laatste kans voor rechts. Generaal Franco begon die actie op 17juli 1936 in Spaans-Marokko.

De legertop hoopte snel doortocht naar Madrid en een intrede in het parlement te krijgen, maar dat gebeurde niet. Noch het leger, noch de Spaanse bevolking konden zich in de nieuwe militaire putsch vinden. De verdeeldheid leidde tot de burgeroorlog die tot 1april 1939 zou duren.

Over het aantal slachtoffers zijn de bronnen verdeeld, maar veel auteurs hebben het over een half miljoen doden, twee miljoen gevangenen en 500.000ballingen. Bij de vluchtelingen bevonden zich ook meer dan 35.000 niños de la guerra. Pas eind 1937 gaven de Spaanse republikeinse autoriteiten hun goedkeuring aan een voorwaardelijke opvang van kinderen in het buitenland. Alleen een collectieve opvang van schoolgaande kinderen tussen vijf en twaalf jaar was toegestaan. Zo mocht de vijftien jaar oude broer van Carlos en Eugenio Pascual Madorrßn zijn broertjes niet vergezellen.

In totaal vluchtten 32.000kinderen uit Baskenland en duizenden Spaanse en Baskische kinderen uit Asturië, Santander en Catalonië. De dictatuur van Franco duurde tot in '75. (svg)