Vondelingskes en ’t Rolleke van Gent

Vondelingskes en ’t Rolleke van Gent

Anne: zoveel Gent. Foto: Dominique Dierick

Gent - Vroeger stoeften Gentenaars wel eens dat ze een nachtje in ’t Rolleke hadden doorgebracht. Maar of ze wisten waarom de stadsgevangenis die bijnaam droeg, is maar de vraag.

In tijden van kruis- en bedevaarten ontstonden ‘hospices’ – van het Latijnse ‘hospes’ dat zowel gast, vreemdeling of gastheer kan betekenen - om reizigers en pelgrims onderdak en soelaas te bieden.
In de kavel tussen de Vlasmarkt en de Houtbriel werd in 1191 het Sint-Janshospitaal opgetrokken, één van de eerste ‘dolhuizen’ voor de opvang van danig doorgeslagen dutsen.

Gasten die in de Gentse Feesten op de Vlasmarkt compleet door het lint gaan, hebben wreed veel chance dat ze niet in de middeleeuwen leven. Toen werden aldaar de ‘dullen’ in Sint-Jan-in-d’olie gelogeerd (in kooien boven een waterloop) tot ze geen gevaar meer betekenden voor de gemeenschap. In de twintigste eeuw deed men er net hetzelfde: menig geïntoxiceerde Gentenaar belandde er in 't rolleke.

De crisis en mannen van status en/of met bindingsangst zijn dingen van alle tijden. Napoleon moet dat ingezien hebben, want hij spoorde elke grootstad aan een degelijke, gecentraliseerde en goed gedocumenteerde opvang voor borelingskes met slechte timing te organiseren.

En zo werd Sint-Jan-ten-Dullen van 1820 tot 1863 een tehuis voor vondelingen, met een vondelingenschuif, ‘tour’ of ‘rolle’ (een draaitrommel, aan de kant van de Oude Schaapmarkt), waarin misplaatste kinderen wegrolden.
Vaak kregen ze één of ander kenteken opgespeld (een halve speelkaart, een stukje stof,...) zodat ze desgewenst op een meer fortuinlijk tijdstip door de ouders konden worden teruggehaald.

De zuster van dienst die de baby aan de andere kant van de rol in ontvangst nam, maakte per kind een dik dossier op, met alle mogelijke gegevens nodig voor een latere hereniging. Het dossiernummer werd op een tinnen oorplaatje aan de boreling bevestigd en pas verwijderd op z’n zesde verjaardag.

Meestal kreeg de kleine van thuis uit ook een briefje mee, waarin dikwijls gevraagd werd het kindje te dopen en daarbij in het beste geval ook een naam voor het kleintje.
Wie voor zijn naamgeving afhing van de opvang, was getekend voor het leven want de kleine werd simpelweg naar de vindplaats genoemd (Lanterne, Confessional, Verkelderen, Wittesulle,..) of naar de omstandigheden (Glaçon, Nieuwjaer,..).

De meerderheid van de vondelingen werd tegen vergoeding uitbesteed aan een familie op het platteland die een extra inkomen kon gebruiken. Maar die uitkering stopte aan 12 jaar. Als het kind dan nog niet door zijn ouders was teruggehaald (tegen vergoeding van de gemaakte kosten, uiteraard), was het als ‘enfant de la patrie’ meer dan welkom in het leger.

Wegens te grote bijval (men kwam van over de landsgrenzen naar Gent en West-Vlaanderen had geen schuif) werd de druk op de stadsfinanciën te hoog en stak men in 1863 een stokje voor de schuif.

Van het Sint-Janshospitaal rest ons de prachtige 18e eeuwse kapel.
U kan er nog steeds uw schatten kwijt.
 

Immo in de regio

Auto's in de kijker

Jobs in de regio