GETEST. Op de baan met de Mini Cooper S Roadster

Print
De Mini Cooper S Roadster ziet er niet echt uit, maar de auto zelf is absoluut geweldig. Een echt juweeltje. Een klompje edel metaal in een zee van plastic en Koreaanse facsimile's. Ik was er helemaal weg van.

Grote mensen staan er nooit bij stil hoe ver ze van de grond zijn verwijderd tenzij ze worden geconfronteerd met een zetel in economy class of een rek vol confectiebroeken. Met kleine mensen is dat anders. Ze denken de hele tijd aan hun lengte. Zij denken dat mensen zoals ik bewust lang zijn, dat we het met opzet doen, alleen maar om hen te pesten. Daardoor hebben ze wat dokters KMS –kleinemensensyndroom– en wij een slecht karakter noemen. Op feestjes voelen ze zich buitengesloten uit de gesprekken terwijl ze rondschuifelen en hun hoofd tegen salontafels stoten. In volle metrostellen voelen ze zich getiranniseerd. Door de meisjes voelen ze zich genegeerd. En als ze kleren kopen, zijn ze het vlug zat om naar Mothercare te worden verwezen. Het is daarom dat de meeste cafévechters en keizers kort van gestalte zijn.

In termen van evolutieleer kan je gerust stellen dat ze dichter bij de amoebe staan en dat grote mensen op de boeg van de beschaving staan. Maar dat soort gedachten houdt mij niet de hele tijd bezig. Ik voel mij niet meerderwaardig tegenover een kleine persoon omdat mijn hoofd zich nu eenmaal dichter bij de hemel bevindt. Maar zij voelen zich zonder twijfel minderwaardig. Vandaar dat ze in een voortdurend en zeer irritant gevecht verwikkeld zijn om zichzelf te bewijzen. Je ziet het ook bij honden. Mijn west highland terriër is altijd koleirig. Omdat ze niet op eigen kracht achterin een Range Rover of over afsluitingen kan springen, bijt ze de postbode, de krantenuitdrager en mensen die de computer komen herstellen. Ze bijt ook mijn andere honden en aangezien we al maanden de melkboer niet meer zien, kunnen we alleen maar veronderstellen dat hij is opgegeten. Ze blaft ook veel, om haar korte pootjes te compenseren met lawaai. Mocht ze een mens zijn geweest, ze zouden haar naar Elba hebben gestuurd en de wereld zou er een stuk veiliger door zijn geworden.

Vreemd genoeg moet ik op dit punt over Richard Hammond beginnen. Gisteren nog vertelde hij me dat andere bestuurders hem onophoudelijk terroriseren als hij met zijn Fiat 500 rijdt. Dat hij altijd langs de verkeerde kant wordt ingehaald, dat men aan zijn bumper kleeft en langer dan nodig laat wachten aan kruispunten. Ik zuchtte de zucht van een grote mens en dacht: 'Het is niet de auto, mijn jongen. het is je minderwaardigheidscomplex.' Maar na een week in de nieuwe Mini Roadster moet ik toegeven dat hij een punt heeft. Kleine auto's worden echt wel getiranniseerd. Zeker als ze zich voordoen als iets wat ze niet zijn. Mijn jongste dochter, die verschrikkelijk groot is, wees naar de kleine auto op onze oprit en zei: 'Dat is geen Mini.' Haar opinie vond weerklank op de straat. 'Dat is belachelijk', luidde de meest gehoorde opmerking. En de Roadster is belachelijk omdat hij zo ver van het concept van een Mini afwijkt als maar mogelijk is. Het geniale aan het origineel uit de jaren 50 was de verpakking –een motor en vier personen in een auto stoppen die net 5 cm lang was. Het rallyrijden en The Italiaan job kwamen pas later.

Wel, de nieuwe roadster is ongeveer even lang als de Noorse kustlijn maar heeft slechts twee plaatsen. In termen van verstandige verpakking staat hij op gelijke hoogte met de ondergrondse bunkers die De Beers gebruikt om enkele diamanten op te bergen. Of van die grote dozen waar enkel een USB-dongle voor je laptop inzit. Waar het natuurlijk om draait, is dat hij wordt verondersteld een sportauto te zijn. Maar ondanks de strepen, de koplampen, de William Wallace oorlogskleuren (Schotse middeleeuwse verzetsheld die in de film 'Braveheart' met blauw geschilderd gezicht wordt vertolkt door Mel Gibson, nvdr.) en de gigantische wielen ziet hij er helemaal niet uit als pakweg een Mazda MX-5. Hij ziet eruit als een Mini. Een die onthoofd is. Binnenin is de boodschap al even droevig. Bij de lancering van de nieuwe Mini was het gekke interieur interessant. Nu is het gewoon irritant. De snelheidsmeter bijvoorbeeld heeft de afmetingen van Eric Pickles' gezicht (Brits conservatief parlementslid, nvdr.) maar je moet het minutenlang aandachtig bestuderen om uit te vissen hoe snel je rijdt. Dan zijn er de schakelaars voor de elektrische ruiten, die er geweldig uitzien maar op de verkeerde plek zitten. Net als de volumeknop van de radio. Het is alsof honderd mensen –allemaal kinderen– een ideetje hebben bijgedragen en dat die allemaal zijn aanvaard.

Oh, en dan komen we bij de prijs. De Cooper S-verie die ik testte, kost 28.250 euro. Dat is bij 500 pond duurder dan de praktischere, minder idiote vierzitscabrio. En ongeveer 6.000 euro meer dan een Mini zou mogen kosten. Onbewust weten andere weggebruikers dat ook, wat verklaart waarom ik de week grotendeels doorbracht in een storm van handgebaren en wreedheid. Ik voelde mij de hond in het kegelspel. Ik voelde mij Richard Hammond. En nog het grootste probleem is dat auto zelf absoluut geweldig is. Een echt juweeltje. Een klompje edel metaal in een zee van plastic en Koreaanse facsimile's. Ik was er helemaal weg van. Met voorsprong het beste eraan is de motor. Het is een 1.6 l turbolader die 181 pk aflevert, wat niet als het meest opwindende recept ter wereld klinkt. Maar, na een zucht van vertraging die je nauwelijks merkt, is de trekkracht immens. Het voelt aan alsof er een spier onder de kap ligt en je wordt het niet moe om ze op te spannen. Het enige echte probleem –en ik heb dat gemerkt in alle Mini's– is dat zijn natuurlijke kruissnelheid op de snelweg ongeveer 180 km/u is. Door de combinatie van je rijhouding, de hoek van het gaspedaal, de verhoudingen van de versnellingsbak en de trillingen is dat de snelheid waarmee je rijdt als je niet oplet. Je moet er echt op letten.

Of je moet van de snelweg afgaan. Dat is eigenlijk een goed idee want alhoewel je het stuur een beetje voelt trekken, typisch voor voorwielaandrijvers met veel vermogen, is het koetswerk schitterend. Het is als in een ouderwetse hatchback: een Volkswagen golf GTI of een Peugeot 205 GTI –het soort auto dat je in een bocht kan gooien met om het even welke snelheid.
Je zou verwachten dat het rijcomfort even slecht is als het rijgedrag goed is, vooral met al die versteviging die nodig was om de afwezigheid van een dak te compenseren. Maar neen. Zeker, hij rijdt strak, maar zelfs in de slechtste put slaat hij nooit door of gaat hij schudden. Hij wordt nooit oncomfortabel. En hij is evenmin onredelijk dorstig. Op dit punt had ik jullie graag verteld dat hij even goed is als je het dak opent. Maar dat kan ik helaas niet, omdat het tijdens de 7 dagen die ik met de auto doorbracht geen moment ophield met te regenen. Wat ik jullie niettemin kan zeggen is dat het dak slechts semi-elektrisch is en het openen deels manueel geschiedt. Maar dat is maar een kleintje. Ik kan jullie ook zeggen dat de koffer veel ruimer is dan je zou verwachten. Maar het laatste wat ik kwijt moet, is het meest verrassende van al: deze auto verdient jullie aandacht.

Hij is niet zo evenwichtig als een Mazda MX-5 maar hij is sneller en heeft meer karakter. Hij doet me in veel opzichten denken aan Richard Hammond. Hij is klein en irritant en draagt onnozele kleren. Maar als je hem beter leert kennen, kan je er verdomd veel plezier aan beleven.

Onder de kap
Motor: 1598 cc, 4 cilinders, turbo
Vermogen: 184 pk
Koppel: 260 Nm
Overbrenging: Manueel, 6 versnellingen
Topsnelheid: 227 km/u
Acceleratie: In 7 sec van 0 tot 100 km/u
Verbruik: 6 l/100 km
CO*-uitstoot: 139 g/km
Prijs: 28.250 euro

Clarksons verdict
Een klein pretpakketje