COMMENTAAR. Kunnen we nu eindelijk ophouden te praten met meel in de mond?

De Duitse media liggen onder vuur omdat het dagen duurde voor ze ­berichtten over de massale aan­randingen op oudejaar. De Keulense burgemeester krijgt bakken kritiek over zich heen na haar stuntelige advies dat belaagde vrouwen er goed aan doen vreemde mannen “op armlengte” te houden.

Het gaat altijd weer over hetzelfde: de waas die voor de ogen trekt bij ‘gevoelig’ nieuws. Een waas waar we nu echt eens van af moeten. Krom praten is in deze slechts een symptoom van krom denken.

Even recapituleren: op een plein vol feestvierders hebben groepen mannen bij herhaling vrouwen omsingeld, beledigd, bepoteld en aangerand. Van sommige vrouwen werden de kleren letterlijk van het lijf gescheurd. En alsof dat nog niet ­genoeg is, kwamen er intussen ook meldingen van verkrachtingen binnen.

Hoe moeilijk is het nu om dat ­zonder nuance onaanvaardbaar te vinden? Om de mannelijke daders te veroordelen en de vrouwelijke slachtoffers te steunen? Waarom zou dat lastiger moeten worden als de politie het heeft over daders van “Noord-Afrikaanse of Arabische ­afkomst”?

En toch is het dat wat gebeurd is, opnieuw. Er werd ge­zwegen, of er werd rond de feiten gepraat. Vermoedelijk uit schrik dat populisten en extremisten, wie dit geweld ­tegen vrouwen goed in het kraam past, met het verhaal zouden gaan lopen. Een doorgeschoten vorm van politieke correctheid om polarisering te voorkomen. Hebben ze nu nog altijd niet door dat ze het zo net erger maken? Als de discreten schroomvol zwijgen, krijgen de roepers die alles op één grote hoop willen gooien, pas echt vrije baan.

Uitzondering

Als West-Europese vrouw kan ik mij vandaag enkel ­bewust zijn van de historische en geografische uitzonderingspositie waarin ik mij bevind. De vrijheid voor vrouwen is hier en nu ongezien. Geen schijnvrijheid waarmee vrouwen zich in andere culturen moeten troosten, maar echte vrijheid. Onvolmaakt en nog steeds fel bevochten, maar niettemin reëel.

Waarom zou ik niet durven te benoemen dat het vrouwbeeld van veel andere culturen de klok voor mij effectief zou terugdraaien? En dat ik, dat wij daar niet toe bereid zijn? Waarom zou ik de onder­geschikte positie van de vrouw in andere culturen moeten respecteren als ik die in mijn eigen cultuur blijf bestrijden?

Voor iedereen die denkt dat zoiets een makkelijke claim op culturele ­superioriteit zou zijn: ook bij ons botst het ideaalbeeld nog vaak op de realiteit. Geweld tegen vrouwen blijft ook hier schering en inslag en kent geen kleur of cultuur. Verkrachting wordt nog altijd zelden bestraft. Zelfgenoegzaamheid is geen optie. Compromisloos de rechten van vrouwen verdedigen blijft een opdracht.

Die verdediging richt zich in de eerste plaats tegen de daders van de ­oudejaarsnacht. Zij hebben wetten overtreden en moeten daarvoor vervolgd worden. Maar die verdediging moet zich ook richten tot iedereen die met een excuus voor dat gedrag komt aandraven.

Deze vrouwen hadden alle recht om daar op dat moment te zijn, in de feestoutfit van hun keuze. Ze moesten niet preventief binnen blijven om mannen niet in verleiding te brengen. Ze moesten niet in een boogje rond het plein lopen om potentiële belagers op armlengte te houden. De aan­randing is nooit, zelfs niet voor een miniem deel, hun schuld. Er is geen gedeelde verantwoordelijkheid, enkel een dader en een slachtoffer.

Waar staan we voor?

In zijn memoires over de fatwa-jaren herinnert Salman Rushdie zich hoe hij na twee bittere jaren een verschuiving zag in zijn denken over de zaak. Tot dan had hij zich geconcentreerd op datgene wat hij bestreed: de moslimfundamentalisten, de bange schrijvers en de laffe politici. Later ging hij zich meer afvragen wat hij nu precies wilde verdedigen: de vrije meningsuiting, ook over godsdienst.

Als we uit het oog verliezen waar we precies voor staan, gaat er veel fout. Dan krijgen de cartoonisten van Charlie Hebdo te horen dat ze “het ook wel een beetje zelf gezocht hebben”. Dan kan zelfs de paus komen verkondigen dat het beledigen van de godsdienst toch eigenlijk niet zou mogen kunnen. Dan worden slachtoffers telkens opnieuw met een schuldcomplex opgezadeld. Dan maken we nieuwkomers met een andere achtergrond onvoldoende duidelijk wat we van hen verwachten en waar onze samenleving duidelijke lijnen in het zand trekt. Dan kunnen populisten hun selectieve verontwaardiging schaamteloos inzetten op een eigen agenda die met onze grondwaarden ook al niets te maken heeft. En dan blijven we blind voor al het werk dat we zelf nog hebben om onze mooie principes elke dag weer waar te maken.

Benoem dus de problemen. Wie al aan het nuanceren is vooraleer de feiten erkend zijn, praat met meel in de mond. En wordt door niemand geloofd.