Eric (55) blikt terug op aanslagen van 22/3: “Zaventem zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn”

Eric (55) blikt terug op aanslagen van 22/3: “Zaventem zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn”

Foto: Joris Herregods

Op de schouw in zijn woonkamer staat een kaartje met een gedicht dat de aanslagen van 22 maart herdenkt. Naast de tekst brandt een kaars en ligt er één bloem. “Voor 22 maart. Voor de slachtoffers. Voor de hulpverleners”, vertelt Eric Raeymakers (55), die twee maanden lang actief was als vrijwillige hulpverlener nadat terroristen 2 bommen lieten ontploffen op Brussels Airport. “Op den duur zal dat wel weggaan, zoals het ook bij de andere rampen gebeurde, maar nu nog niet. Dit jaar herdenk ik mee.”

Eric heeft al veel meegemaakt, sinds hij dertien jaar geleden als vrijwilliger bij het team van Dringende Sociale Interventie begon. DSI is een tak van Rode Kruis Vlaanderen. Telkens wanneer een medisch rampenplan op poten wordt gezet, komen vrijwilligers ter plaatse om in de eerste fase vlak na de ramp psychosociale hulp te bieden. “Ik kan het aantal rampen niet meer tellen. Ik was bij de ontploffing in Ghellingen (2004), de treinramp van Buizingen (2010), het drama op Pukkelpop (2011), het busongeval van Sierre (2012)…” vertelt hij aan Het Nieuwsblad. Maar niets is vergelijkbaar met 22 maart.

Eric (55) blikt terug op aanslagen van 22/3: “Zaventem zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn”
Eric is al dertien jaar actief bij DSI, Dringende Sociale Interventie. Dat is een tak van Rode Kruis Vlaanderen. Die zorgen voor onthaal, informatie en psychosociale begeleiding van slachtoffers en hun familie bij rampen. Foto: Joris Herregods

Die dag waren de vrijwilligers onmisbaar en ook in de weken die volgden. Maandenlang ondersteunden ze slachtoffers, nabestaanden en andere hulpverleners. Exact één jaar nadat Abrini en twee andere terroristen ons land opschrikten, leeft de aanslag bij Eric nog voort. “Ik heb dat nog nooit zo sterk meegemaakt dat het afsluiten zo moeilijk was. Vooral om de familie van het slachtoffer los te laten. Je begeleidt hen zo intens, je weet zo veel. Voor één keer achteraf nam ik zelfs nog even contact op met de weduwe. Normaal doen we dat niet. Nooit. Want ook voor de familie trigger ik de herinneringen aan de aanslagen en het verdriet. Maar deze keer was het anders. Deze ramp was zo grootschalig, de hulpverlening duurde zo lang. Op de verjaardag van het slachtoffer, liet ik even van mij horen. Dan doet het goed om te weten hoe het met elkaar gaat. Om te laten weten dat je met hen meeleeft.”

De begrafenis van het slachtoffer, het moment waarop de hulpverlening voor DSI normaal stopt, gebeurde deze keer in intieme kring. Eric ging daarom voor zichzelf op zoek naar een ander afsluitmoment. “In de zomer van 2016 ben ik op een bepaald moment samen met mijn dochter in de auto gestapt en hebben we bijna 200 kilometer gereden om naar de begraafplaats van het slachtoffer te rijden. Ik had dat precies nodig om het te kunnen afsluiten. Helemaal losgelaten heb ik het nog steeds niet, voorlopig. Hoor mij toch praten, denk ik dan altijd als ik dat zeg… Wie ben ik om het moeilijk te hebben, ik ben maar een hulpverlener...”

“Je weet dat er iets serieus mis is, maar wat dat weet je pas daar”

Wanneer Eric terugdenkt aan die ochtend vorig jaar, komt alles nog steeds helder voor de geest. “Ik was die ochtend vroeg opgestaan om de bus naar mijn werk bij de sociale dienst van de mutualiteit te nemen. Onderweg ging mijn gsm af. Alarm: DSI. Nog voor ik goed en wel op mijn bureau was, moest ik vertrekken”, vertelt Eric. Met prioritair vervoer loodsten ze hem door het drukke verkeer. “Dan weet je dat er iets serieus mis is. Maar hoe groot de omvang was, dat wist ik pas toen ik ter plaatse kwam…”

Op de luchthaven baanden hulpverleners zich een weg door het puin om zo goed mogelijk bij de slachtoffers te geraken, de soldaten zochten naar slachtoffers, de ambulanciers voerden de eerste meest dringende gewonden af naar de ziekenhuizen in de buurt. Tegelijkertijd richtte Eric samen met andere vrijwilligers het opvangcentrum voor familie en verwanten van de slachtoffers in, op een geheime plek. “Daar kwam iedereen toe die dringend op zoek was naar een geliefde. DSI is er om die mensen op te vangen, informatie te geven en te begeleiden. Maar iedereen is bang door de berichten die ze horen. Of net het gebrek daaraan: geen sms’je, geen telefoontje, niets. De kans is dan groot dat hun familielid zwaargewond, vermist of misschien zelfs overleden is. Wij weten dat, zij weten dat ook.”

Honderden vragen. Drie uren voor één slachtoffer.

“Ik kreeg al snel drie slachtoffers toegewezen: twee Duitsers en één Belg. Om dan aan DVI, Disaster Victim Identification, de slachtofferidentificatie te beginnen. Niet door kort even enkele vraagjes te stellen aan de familie, maar door een lijst van meer dan honderd vragen te overlopen. Hoe ziet je partner eruit? Wat zat er in haar rugzak? Waar heeft hij littekens? Wat had zij aan? Wat voor gsm heeft hij? Welke kleur nagellak heeft ze op? Drie uur lang. Per persoon. Dat is echt zwaar voor de familieleden, want de ongerustheid groeit. Voor hen ben je bezig met “onnozele vragen” op dat moment, zij willen gewoon hun geliefde terug zien. Maar het is cruciaal, want enkel met die “ante mortem gegevens” kunnen we zeker zijn dat we hen bij de juiste persoon terug kunnen brengen, ook wanneer die amper herkenbaar zijn of niet meer kunnen praten.”

Eric (55) blikt terug op aanslagen van 22/3: “Zaventem zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn”
Op 22 maart, maar ook nadien, zette Eric zich in om slachtoffers, familieleden en hulpverleners te ondersteunen na de aanslagen. Foto: Joris Herregods

“Achteraf bleek dat er twee van mijn slachtoffers overleden waren en één nog in leven is. Slecht nieuws moet DSI ook melden. Je blijft dan bij de familie van dezelfde slachtoffers, maar deze ramp was te groot. “We hebben het anders moeten aanpakken. Uiteindelijk heb ik enkel de familie van het Belgische slachtoffer verder individueel begeleid. Eén van de moeilijkste momenten was het teruggeven van de voorwerpen die bij het lichaam van het slachtoffer lagen. De familieleden mogen kiezen of ze die in een “nette staat” willen, of in de staat waarin wij ze vonden. Kleren – of wat er van overschiet -, een gsm, een kaartje uit een portefeuille… Familieleden kennen die dingen, maar nu krijgen ze, bebloed en kapot, een heel andere betekenis.”

Uiteindelijk ging Eric pas om 23 maart om 1 uur ’s nachts naar huis, na 17 uur vrijwilligerswerk. “Ik heb een sjabloontje voor een sms’je in mijn gsm waarin ik altijd naar mijn kinderen stuur dat ik opgeroepen ben en ook eentje dat zegt dat ik terug thuis ben. Na de aanslagen liet ik pas donderdag iets van me weten. Dat kon ik toen pas: praktisch en mentaal.” De volgende dagen riepen ze Eric opnieuw en opnieuw en opnieuw op. Hij bemande het telefoon- en informatiecentrum en begeleidde ook de familie van dat ene slachtoffer verder. Het was pas op 29 april dat hij de laatste keer een DSI-actie deed.

“Je bent niet alleen”

Helpen is traumatiserend, ook de hulpverleners moesten hun hart kunnen luchten. Ook daar stond Eric voor in. “We brengen iedereen samen in kleine groepen voor een debriefing. Mensen die in het mortuarium stonden, ambulanciers die als eerste op de site waren… En dan overlopen we alles, ik als DSI’er, zij als mens. We laten hen hun eigen puzzelstukjes samenleggen, zodat ze kunnen begrijpen waarom bepaalde beslissingen wel of niet genomen zijn. Dan hoor je ze ook zeggen “ik kan niet meer slapen”, “ik durf geen hulpverlening meer te doen”, “ik heb hoofdpijn”. En dat helpt voor jezelf ook. Dan besef je, “ik ben niet alleen”. Het is niet abnormaal dat ik me zo voel.”

“Ik wist op een bepaald moment zoveel. Je krijgt zoveel ervaringen, emoties, indrukken en feiten te horen, terwijl jij hen probeert te ondersteunen.” Dan is het broodnodig om ook zelf ergens terecht te kunnen. Mijn dichte familie, mijn lokale afdeling van Rode Kruis Lille, mijn collega’s op maatschappelijk werk stonden er allemaal… Ze zeiden dan: “Vertrek maar Eric, rij naar uw zoon, bel uw dochter.” Mijn zus begreep het zelfs dat ik pas later naar haar huwelijksfeest kwam, omdat ik een bezoek aan de site in in Zaventem ging begeleiden, waar de slachtoffers waren gevonden, met de familie van mijn slachtoffer. Een herdenkingsmoment dat ook voor mij heel speciaal was. Ook de DSI-leiding besteedt veel zorg om de zorgende. Ze belden me regelmatig. Dat doen ze altijd na een interventie. Of ik een babbeltje nodig had, of een koffietje. Ik kreeg altijd wel een mogelijkheid om te ventileren, ook al deed ik dat niet veel. Ik kon erover praten, als ik het wou.”

“Ik ben niet bang”

Liefst zou Eric op 22 maart een dag vrijaf nemen. “Dan zou ik de radio en tv opzetten en lezen over de plechtigheden die herinneringen erover ophalen. Want erover lezen helpt.” Maar dit jaar niet. Eric gaat samen met enkele andere hulpverleners, familie en slachtoffers de aanslagen herdenken in de luchthaven zelf. “Dat is iets wat voor mij nu het best werkt. Erover praten met andere hulpverleners, die hetzelfde meemaakten en hetzelfde voelen. Nog steeds. Ook een jaar later. Zaventem zal nooit meer hetzelfde zijn voor mij. Elke keer als ik daar ben om op vakantie te vertrekken, wandel ik even naar het gedenkplaatje, om gewoon even stil te staan”, vertelt Eric.

“Mensen vinden het soms vreemd dat ik dit vrijwillig doe, bovenop mijn werk in de zorgsector, bovenop mijn eigen sociale leven. Maar ik ben content. Ik ben blij dat ik een klein verschil kan maken op een moment waarop we ons allemaal zo machteloos voelen”, aldus de hulpverlener.

“Soms vraagt mijn dochter of ik niet bang ben, wanneer ik op een site kom waar net een bom is afgegaan of wanneer ik moet vertrekken naar een ramplocatie. En dan denk ik, moest er mij iets overkomen, dan is dit mijn leven geweest, dan heb ik dit kunnen betekenen. Ik ben niet bang, ik maak me geen zorgen, ik help gewoon verder.”

Eric (55) blikt terug op aanslagen van 22/3: “Zaventem zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn”
Foto: Eric Raeymakers

POPULAIRE VIDEO'S

Meest Gelezen

Meest Gedeeld

ENKEL VOOR ABONNEES