Heylen en Van Campenhout hebben museum in 2002 gered

Print
De geschiedenis van de Red Star Line als museum begint in 2002 toen de toenmalige gemeenteraadsleden Philip Heylen (CD&V) en Ludo Van Campenhout (N-VA) hun ‘bazen' Leo Delwaide en Eric Antonis, toen respectievelijk Haven- en Cultuurschepen, wezen op het potentieel van het migratiemuseum. Het Havenbedrijf stond op het punt de pakhuizen en gronden te verkopen aan projectontwikkelaars om de pensioenkas te spijzen. Van Campenhout en Heylen hebben de verkoop kunnen tegenhouden en burgemeester Leona Detiège besliste om de gronden te kopen voor de stad. ‘We hadden een buikgevoel', herinneren de twee zich. ‘We moesten iets doen met de plek van waaruit 2,5 miljoen mensen naar Amerika migreerden. En we mogen ook het aandeel van verwoed Red Star Line-verzamelaar Robert Vervoort niet vergeten die de herinnering aan alles wat met de rederij te maken had levendig hield.'

Van Campenhout en Heylen trokken beiden in 2003 ook naar Ellis Island, het eiland vlak bij de kust van New York waar de migranten zich moesten laten registreren, waar ook een migratiemuseum staat.

‘Ik trok na mijn bezoek aan het vernieuwde museum naar de architecten die verantwoordelijk waren voor de renovatie en vroeg of ze eens een kijkje konden komen nemen in Antwerpen', zegt schepen voor Cultuur Heylen. In november trok ik met Eric en Ludo op werkbezoek naar Amerika om fondsen te zoeken voor het museum in Antwerpen. Een jaar later ben ik dan als schepen voor Cultuur teruggekeerd en heb de Belgische ambassadeurs en consul-generaal aangepord om geld te zoeken voor het project. Ze raadden me aan om via een deelname aan de marathon van New York de aandacht te trekken. Ludo en ik hebben die in 2005 dan ook gelopen. Zonder het Amerikaanse geld was het nooit gelukt.'

Immo in de regio

Auto's in de kijker

Jobs in de regio