Waarom de job van stille knecht vijf jaar geleden aantrekkelijker was

Water dragen loont iets minder

De goede, stille knechten worden alom gewaardeerd in een ploeg, maar het puntensysteem van de World Tour benadeelt hen weer.

De goede, stille knechten worden alom gewaardeerd in een ploeg, maar het puntensysteem van de World Tour benadeelt hen weer.

Hoeveel bidons, vraagt een weldenkend wielerliefhebber zich af, sleurt zo'n waterdrager per beurt het peloton binnen? Het antwoord: tien. Als het een goeie is. ‘Want zo'n kleine Spanjaard, die geraakt zelfs met vier bidons geen berg meer op.'

‘Bevoorrading? Dat bestond niet, mijnheer. Als de volgwagen weg was, moesten we voor onszelf zorgen. Dan reden we met een paar vooruit om te bedelen op een boerenhof. Het was niet altijd water dat ik meekreeg, hé. Ik pakte wat ik kon krijgen. Soms kwam ik met een halve fles wijn terug in het peloton. Als ge dorst hebt, gaat dat wel binnen.'

‘Eén keer liep het wel mis, op het eind van de Tour. Ik had in de duik een fles meegepikt uit een hotel – water, peis ik – en ze hadden dat door. Dus liep die vent van dat hotel achter mij en sloeg hij de fles op mijn hoofd kapot. Zo'n buil had ik.'

Kamiel Buysse, grootvader van Greg Van Avermaet, vertelt graag honderduit over zijn enige Tour in 1959. Toen werd hij in de Belgische ploeg meegenomen als waterdrager, in de ware zin van het woord. ‘Dan is het nu toch anders', zegt Kamiel.

Dat is waar. De wijn is vervangen door Aquarius, het boerenerf door frigoboxen in de volgwagens. Maar het principe van de waterdragers is gebleven. Toen Jurgen Van De Walle, gerespecteerde Belgische knecht, bij Palmans zijn carrière begon, zei ploegleider Walter Planckaert hem het volgende: ‘Doe maar een truitje van een maat kleiner aan. Daar passen de bidons beter in.'

Vijf kilo extra

Waterdragers zijn onmisbaar in het peloton. De levenslijn van de kopmannen. Voor hen betekent een extra bidon vaak het verschil tussen fit zijn en krampen krijgen, tussen podiummeisjes en de man met de hamer. Het peloton behandelt waterdragers dan ook als de verzorgers op een slagveld: ze moeten niet bikkelen voor elke centimeter. Ze kunnen rustig hun werk doen, uit respect.

‘Als ik het peloton in rijd met mijn truitje vol bidons, gaat iedereen opzij', zegt Francis De Greef, van dienst bij Lotto-Belisol. ‘Elke renner weet hoe lastig dat is. In een afdaling kost me dat geen moeite. Maar als ik bergop tien bidons op de rug heb, sleur ik vijf kilo extra mee omhoog. En dan mag je nog niet recht op je trappers gaan staan, want dan vallen die bidons er langs onder uit. Als je zo een paar keer per dag voorbij een peloton zwoegt waarvan er al een paar aan de rekker hangen, dan krijg je waardering van je collega's.'

Meer zelfs: het is niet iedereen gegeven. In de Tour van 2010 noopte de hittegolf de ploegen om een vaste waterdrager aan te stellen, die zich bijna constant bezig hield met het aanvoeren van bidons. Tot acht keer per dag. ‘Het moest iemand zijn die een eindje mee kon bergop, dus we hadden twee kandidaten: Francis De Greef en Dani Moreno', legt Lotto-manager Marc Sergeant uit.

‘In het hotel zette ik ze naast elkaar. Cisse, een beer van 1m90, naast die kleine, fragiele Spanjaard. Toen zei ik: Wat denken jullie zelf? Wie kan er het meest bidons meenemen?' De Greef had het meteen begrepen. ‘Ik kon ook moeilijk anders', herinnert die zich. ‘Als je bij Moreno vier bidons in zijn truitje stak, geraakte hij geen berg meer op. Die moet het hebben van zijn licht gewicht om naar boven te fladderen.'

Maar Moreno was in die Tour wél vaak de laatste man bij Jurgen Van Den Broeck. De Spanjaard reed vaker in beeld dan De Greef, gewoon door zijn functie. Het is de eeuwige frustratie van de waterdrager: het zware werk gebeurt achter de schermen. ‘De appreciatie van een kopman doet dan veel', zegt De Greef. ‘Cadel Evans bijvoorbeeld was een moeilijke mens om voor te werken. Hij toonde soms weinig respect. Van Den Broeck daarentegen, die geeft op tijd en stond een compliment.'

De tranen van Andrea

De eerste kopman die zijn helpers echt uit de schaduw haalde, was Fausto Coppi. Tot dan werd een knecht geminacht met de term domestique. Een huismeid. Tourstichter Henri Desgrange gebruikte dat woord als belediging voor renners die hun diensten aanboden aan anderen – Desgrange vond dat ‘de Tour onwaardig'. Maar Coppi boetseerde de onvolprezen domestique om tot de gregario. De trouwe dienaar.

De Italiaan had er drie die nooit van zijn zijde weken: Ettore Milano, Michele Gismondi en Andrea Carrea. Die laatste – begunstigd met een nog imposanter neusorgaan dan Fausto zelve – zat in de Tour van '52 toevallig mee in een lange ontsnapping. Het groepje kreeg zoveel voorsprong dat hij in Lausanne de gele trui veroverde. Toen brave Andrea dat hoorde, barstte hij in tranen uit: ‘Ik heb geen recht om die trui te dragen. Die is bestemd voor kampioenen', jammerde hij.

Toen Coppi arriveerde, bood hij beschaamd zijn excuses aan. Hij vond dat het ‘voor een soldaat niet paste om zijn kapitein te verlaten'. Om dat alles kracht bij te zetten, ging Carrea de volgende ochtend voor het oog van de fotografen de schoenen van Coppi poetsen. In zijn gele trui.

Het gebaar van Carrea – en vooral de bezorgdheid dat hij uit de gratie van zijn leider zou vallen – belichaamt de rol van de gregario. Een knecht is niet altijd te beklagen omdat hij zijn krachten moet opofferen. Een knecht geniet ook van de schaduw van een kampioen. Hij beseft dat hij daarbuiten een onbeduidende coureur zou zijn, met een minder dikke portemonnee.

Marktwaarde

Werken loont dus in het peloton. Nu ja, van tijd tot tijd. ‘De aantrekkelijkheid van de job hangt af van het systeem', zegt Jurgen Van De Walle. ‘In mijn eerste jaren, begin deze eeuw, bestond de UCI-ranglijst nog. De marktwaarde van een coureur hing enorm af van zijn plaats op die lijst. Daarom spurtten veel jongens liever tussen plaats 10 en 20, dan zich tijdens de koers op te offeren. Op het einde van het jaar bracht dat meer centen in het laatje. Toen de UCI-ranglijst werd afgeschaft (in 2005, red.), werd er plots gemakkelijker in dienst gereden van het team. En dan was het best lucratief om een sterke knecht te zijn.'

Vorig jaar, in 2011, veranderde het systeem echter wéér: een ploeg heeft nu punten nodig om zich te handhaven in de World Tour, en die punten zijn gekoppeld aan de resultaten van de renners. ‘Gevolg: in de transferperiode willen teams vooral éérst renners met punten verzamelen', zegt rennersmanager Paul De Geyter. ‘Pas als ze zeker in de World Tour zitten, vullen ze aan met knechten. Hoe nuttig die ook zijn, hun waarde daalt dus weer. In het moderne wielrennen wordt betaald voor punten, niet voor het aantal bidons dat iemand kan dragen.'

De Geyter wil niet dramatiseren: ‘De situatie is zeer individueel. Sommige ploegen appreciëren het knechtenwerk meer dan andere. Maar de grote lijn is toch: het resultaat primeert. Het gebeurt nog vaak dat renners zich een heel seizoen plooiden naar het ploegbelang, om dan in oktober te horen: Wel, qua resultaten was het dit jaar niet vet, hé?'

Vrees voor job

Is het dan nog wel slim om je een heel jaar de ziel uit het lijf te rijden tot kilometer 200, om dan steevast bij de laatste tien te eindigen? Uiteindelijk: iemand als Francis De Greef eindigde de voorbije vier jaar in de top 25 van de Giro. Dan heb je wel iets in je mars om resultaten te rijden.

‘Dat is waar, maar ik ga mezelf ook niet voorliegen', zegt hij. ‘Ik weet dat ik niet de explosiviteit heb om vijf koersen per jaar te winnen. Dus is het simpel: ik blijf bidons halen, de ploeg weet dat ze daarvoor op mij kan rekenen. Het is een kwestie van vertrouwen, en daar moeten wij het wel van hebben. Een knecht bouwt zijn carrière tegenwoordig veel meer op één ploeg, terwijl mannen met resultaten meer zullen wisselen. Ik weet dat ze mijn werk bij Lotto appreciëren, dus vrees ik niet voor mijn plek.'

Eenzelfde geluid bij Jurgen Van De Walle. ‘Knechten hebben het nu misschien minder goed dan vijf jaar geleden, maar ook nog niet zo slecht als ten tijde van de UCI-ranking. Het grote voordeel van die World Tour is: niemand weet hoe het systeem werkt. De renners hebben totaal geen idee hoeveel punten ze sprokkelen met een zevende plaats in een koers; dat wordt pas op het einde van het jaar bekend gemaakt. Dus ben je geneigd om je op te offeren voor de ploeg. Trouwens: zulke mannen heeft een team altijd nodig.'

Klopt. Anders zijn de kopmannen hun levenslijn kwijt. En uiteindelijk: zo veel is de geschiedenis niet veranderd. Een waterdrager heeft altijd een beetje moeten inleveren. Dat was al zo ten tijde van Kamiel Buysse. ‘Ik moest soms ook om drank bovenop een berg, aan een kraampje dat daar stond voor de toeristen. Weer hetzelfde: water, bier, wijn,… Dat maakte niet uit. Het was wel betalen daar, dus schreven die marchands mijn rugnummer op. Na de Tour kreeg ik mijn prijzengeld van de bond: 100.000 frank. Terwijl kopman Fred De Bruyne verdorie 106.000 frank had. Ze hadden die drank er gewoon afgetrokken.'