Waarom ons niet lukt wat Nederland wel kan

Oeganda haalt goud op de marathon. Granada op de 400meter. En Iran trekt en stoot zich via het gewichtheffen naar de zeventiende plaats in de medaillestand, meer dan veertig plaatsen beter dan België. Maar hoe komt dat dan? Waarom lopen wij niet harder en zwemmen we niet sneller? Kortom: waarom kunnen wij niet wat Nederland, Oeganda, Granada en Iran wél kunnen? Goud halen.

1. Heeft de Belgische sport ondermaats gepresteerd?

We staan in de medailletabel waar we thuishoren. Dat is lager dan vroeger, maar er zijn ook veel landen bijgekomen. Om maar één voorbeeld te noemen: sinds het uiteenvallen van de Sovjetunie, kwamen er meer dan tien landen bij. Voeg er nog de landen bij waar de sport zich pas later ontwikkeld heeft of waar vrouwensport een eerder recent fenomeen is en je begrijpt dat België terugvalt. Alleen werden er onrealistische verwachtingen gewekt op basis van gelukstreffers uit het verleden. We kunnen maar beter wennen aan deze stek.

2. Waarom kunnen wij niet wat Nederland wel kan?

Omdat Nederland een sportcultuur heeft. Een cultuur die wij niet hebben en zelfs niet willen hebben. Want een sportcultuur gaat om zoveel meer dan sport alleen. Het heeft te maken met ruimtelijke ordening, mobiliteit, onderwijs. En dat gaat niet één, twee, drie veranderen. Daarenboven zitten wij met onze specifieke staatskundige realiteit, waardoor het sportbeleid versnipperd en vertraagd is. De vergelijking met Nederland is dus misplaatst.

3. Zou sport dan niet beter opnieuw federale materie worden?

Sport werd in de jaren 70 gefederaliseerd. In Müchen ('72) en Mexico ('68) haalden we twee medailles, in Rome ('64) drie. Voordien was het dus niet zoveel beter. Het zou wellicht helpen als we dat Nationale Sportinstituut, waar veel over geblaat wordt, erdoor krijgen. Maar de vraag is of zo'n nationaal sportinstituut zaligmakend is.

4. Wat is de rol van het BOIC?

Sport is bij ons gemeenschapsmaterie, maar het Internationaal Olympisch Comité erkent alleen het land. Vandaar de noodzaak aan een nationale sportkoepel: het BOIC.

5. Wat kost sport ons?

Vlaanderen trekt dit jaar ongeveer 130 miljoen euro uit voor sport. Waarvan 110 miljoen naar sport voor allen gaat en 20 miljoen naar topsport. In 2010 was dat respectievelijk 98 en ook al 20. Alleen het budget voor sport voor allen is dus gestegen.

6. Wie betaalt de atleten?

De meeste atleten hebben een Bloso-contract. Om in aanmerking te komen moeten ze jaarlijks aan bepaalde criteria voldoen. Daarnaast zijn er nog twee sportspecifieke projecten: Atletiek Vlaanderen en de wielerploeg Topsport Vlaanderen. Een paar enkelingen zitten bij het leger onder de koepel Topsport Defensie.

7. Wat is er na Peking veranderd?

Er is overleg tussen Wallonië en Vlaanderen. Vroeger was dat onbestaande.

8. Waarom haalt Trinidad & Tobago wel goud (speerwerpen) en wij niet?

Omdat Trinidad & Tobago nu toevallig een uitzonderlijk talent in het speerwerpen heeft. Zoals wij in Peking Tia Hellebaut hadden en in Athene Justine Henin. Talent is niet maakbaar, is geen product van beleid. Het beleid kan er alleen maar voor zorgen dat het talent wordt gedetecteerd en zo goed mogelijk begeleid.

9. Wat moeten we doen om meer medailles te halen?

Investeren in nichesporten, liefst met een hoge technologische en economische drempel om de arme landen te ontlopen. En vrouwensporten, want in nog niet alle landen hebben vrouwen toegang tot sport. De vraag is evenwel of dat een verantwoorde bestemming is voor gemeenschapsgeld. De vraag is of sport een doel op zich mag zijn of eerder een middel om volksgezondheid, integratie, enzovoort... te bevoordelen. Baanwielrennen vormt misschien een goed compromis. Er zijn veel medailles te rapen, ook voor vrouwen. Fietsen komt bovendien de gezondheid ten goede en zit in de genen van elke Vlaming, waardoor aanvoer van talent op natuurlijk wijze gebeurt en ook de knowhow aanwezig is. Kortom: meer middelen voor baanwielrennen, alstublieft.

Lees alle 28 reacties