Jan Kohlbacher over het leven in de honderdjarige Tuinwijk

'Buitenlanders mochten alleen ondergronds werken'

'Buitenlanders mochten alleen ondergronds werken'

Jan Kohlbacher bij het Museum van de Mijnwerkerswoning: 'Wat een arbeidersgezin zich niet kon permitteren, werd geïmiteerd.' RS Foto: © Rudi Smeets

MAASMECHELEN - De Tuinwijk van Eisden bestaat honderd jaar. Na de mijnsluitingen verloederde de vroegere arbeiderswijk enigszins. 'Het eeuwfeest is een aanleiding om de cité te herwaarderen', zegt Jan Kohlbacher. Rudi Smeets

De Romeinen waren ervan overtuigd dat iemands naam iets zei over zijn lot en drukten dat kernachtig uit in het aforisme Nomen est omen. Of de naam ook echt een voorteken is? Oorzakelijk verband of niet, in 1925 verhuisde Joseph Kohlbacher met zijn echtgenote en hun vierjarig dochtertje Emmy van het Oostenrijkse dorpje Kainach naar Eisden om er in de steenkoolmijn te werken.

'Die was drie jaar eerder in productie gegaan', verduidelijkt Jan Kohlbacher, een van de vijf kinderen die later in België werden geboren. 'Er was één groot probleem: in Limburg zat men met een nijpend gebrek aan ervaren mijnwerkers. Daarom stuurde de Eisdense mijnmaatschappij Limburg-Maas prospectoren naar Centraal-Europa, waar men die ervaring wel had. Vandaar dat in de jaren twintig honderden Slovenen, Oostenrijkers, Polen, Italianen, Hongaren en Tsjecho-Slowaken naar hier kwamen. Zij werden gelokt met een goed loon en een woning', aldus Kohlbacher, voorzitter van de Stichting Erfgoed Eisden en conservator van het erg verhelderende Museum van de Mijnwerkerswoning.

Om al die werkkrachten te huisvesten, werd in de buurt van de steenkoolmijn een arbeiderswijk gebouwd. Zo veranderde een schrale heidevlakte van meer dan honderd hectaren tussen 1910 en 1936 in een dorp met ongeveer 1.500 woningen in Engelse cottagestijl, brede lanen en veel groen. Voor de circa zesduizend inwoners werden ook scholen, een kerk en tal van sociale voorzieningen gebouwd. 'De negentiende-eeuwse garden cities werden nergens in ons land zo nauwkeurig nagebootst als in Eisden', benadrukt Jan Kohlbacher.

Waarom koos men voor dat Britse bouwconcept?

Jan Kohlbacher: 'In Groot-Brittannië werd dat al veel eerder in een gelijkaardige economische context toegepast. Omdat er in de grootsteden geen industriële uitbreidingsmogelijkheden waren, weken heel wat bedrijven uit naar het platteland. Om de beste werknemers niet te verliezen, moest de verhuis uit de stedelijke omgeving voor hen en hun gezin aanvaardbaar gemaakt worden. Hoe kon dat beter dan met een mooie woonst in een groene, rurale omgeving met een pak faciliteiten? Het Britse voorbeeld werd hier haast klakkeloos overgenomen, tot en met het woonreglement. Daar stond bijvoorbeeld in dat in de voortuin bloemen moesten worden geplant en in de achtertuin groenten. Een arbeider die ongezonde arbeid verrichtte, kon zijn vrije tijd maar beter in de gezonde buitenlucht doorbrengen. Een mooie gedachte, maar het waren vooral de vrouwen die het tuinwerk deden.' (lacht)

Kregen buitenlanders per definitie het vuilste werk?

'Vuil of proper werk, dat was niet zo belangrijk. Het ging er vooral om of je boven- of ondergronds aan de slag moest. Buitenlanders hadden geen keus, want in hun arbeidscontract stond dat ze alleen ondergronds mochten werken. Mijn vader heeft er stoflong aan overgehouden. Hij was 52 toen hij stierf, mijn schoonvader slechts 48. Ook drie ooms van mijn vrouw hebben hun vijftigste verjaardag nooit kunnen vieren. Men stelde zich daar in die tijd geen vragen bij. Dat is nu eenmaal de put, werd geredeneerd. Ik vind het schrijnend dat men daar niets aan deed, vooral als je nagaat welke fenomenale winsten de mijnen maakten. Pas in 1957 werd in Lanaken het Sint-Barbaraziekenhuis gebouwd om longziektes te behandelen.'

Vond men op den duur nog gemakkelijk jonge mensen om in de mijn te werken?

'Velen hadden geen keus, anderen werden erdoor aangetrokken. Mijn broer Lei, die drie jaar ouder is, was verslaafd aan de mijn. Dertien jaar lang heeft hij er alle mogelijke jobs gedaan. Dankzij hem mocht ik voor onderwijzer gaan studeren, want mijn ouders hadden niet het geld om mijn studies te betalen. Alleen al het internaat kostte tienduizend Belgische frank per jaar, nu 250 euro. In die tijd was dat veel geld. Als je buist, ga je met mij de put in, zei hij altijd. Ik heb nooit tweede zit gehad. (lacht) Rond zijn dertigste is hij ermee gestopt en is hij naar Californië getrokken. Daar heeft hij carrière gemaakt in de vliegtuigsector.'

Werden de inwoners van de Tuinwijk aanvaard door de plaatselijke bevolking?

'Dat lag toch wel moeilijk, zeker voor de inwoners van de omringende dorpen. Je zag dat onder meer aan de trouwgewoonten. Pastoors ontraadden huwelijken tussen Belgen en buitenlanders. Als je rekening houdt met de grote invloed van het geloof, valt het goed te begrijpen dat veel ouders bedenkelijk keken als hun zoon of dochter met bijvoorbeeld een Hongaarse of een Hongaar thuiskwam. Trouwens, Centraal-Europa lag voor de meeste mensen aan de andere kant van de wereld. Onbekend was onbemind, in dit geval heel letterlijk.'

Na de mijnsluitingen werden veel woningen uit de Tuinwijken verkocht en begon de verwaarlozing.

'Helaas wel. Er was geen enkele vorm van toezicht meer en de nieuwe eigenaars lieten zich niet commanderen om hun hagen te snoeien. Die waren nochtans typisch voor het landschappelijke karakter van de Tuinwijk. Ze werden vervangen door betonnen omheiningen, draadafsluitingen en ijzeren hekken. De Stichting Erfgoed Eisden slaagde erin om enkele bouwschriften af te dwingen voor het behoud van het karakter van de woningen, maar door het ontbreken van een coherent beleid kwam men nog niet tot een echte vorm van bescherming. Daarom is het hoopgevend dat de Tuinwijk door de Vlaamse regering werd voorgedragen als Unesco-werelderfgoed.'

U bent de bezieler van het Museum van de Mijnwerkerswoning. In hoeverre is dat representatief voor het leven in de Tuinwijk?

'Het is een tweewoonst die het citéverleden in diverse facetten weerspiegelt. Ze werd gebouwd in 1925 en door twee Sloveense arbeidersgezinnen bewoond. Toen de jongensschool in de jaren dertig uit haar voegen barstte, werden enkele kamers tot noodklaslokalen ingericht. In 1934 werd de linkerwoning kapelanij en de eerste verblijfplaats van de legendarische kapelaan Maurice Vanschoenbeek, de oprichter van voetbalclub Patro Eisden. Dankzij veel spontane schenkingen hebben we het interieur heel authentiek kunnen reconstrueren.'

Opvallend is dat bij de inrichting veel imitatietechnieken werden toegepast.

'Inderdaad. Een gewoon arbeidersgezin wilde leven zoals de rijkere klasse. Wat ze zich niet konden permitteren, werd geïmiteerd. Dat nabootsen werd voor veel huisvrouwen een specialiteit. Met de luizenkam gaven ze de deuren bij het verven een eikenhouteffect, in de slaapkamers werden vloermatjes op de grond geschilderd. Al zeg ik het zelf, de museumwoning ademt het leven van de mijnwerker en zijn gezin uit.'

Corrigeer

Doe de stemcheck van Het Nieuwsblad en ontdek met welke partij jij het best overeenkomt.

Auto's in de kijker

Vastgoed

Jobs in de regio