'Ik geloof niet in tovenaars'

70-jarige basketballegende Lucien Van Kersschaever denkt nog niet aan pensioen

Foto: © WALTER SAENEN

BLANKENBERGE - Basketballegende Lucien Van Kersschaever werd gisteren zeventig jaar. Drie vierde van die tijd bracht Van Kers op en rond het parket door. Nog steeds heeft de jeugdtrainer van Antwerp Giants geen pensioendatum in gedachten.



Lucien Van Kersschaever baant zich een weg naar een achtervertrekje van zijn woonst in Blankenberge, nu en dan een lage deurlijst ontwijkend. De doorgang is zo laag dat je er een hobbitfamilie achter vermoedt. 'Welkom in mijn Walhalla', zegt de 1,98m vriendelijke Blankenbergse reus.

De rekken aan de muur zijn gevuld met een indrukwekkende verzameling videocassettes, scoutingrapporten, basketbaltijdschriften en -boeken. How we win staat op de rug van een vergeeld exemplaar te lezen.

In zijn carrière van ruim vijftig jaar vond Van Kers het antwoord op die vraag. Als speler en coach won hij tien landstitels, waarvan zeven als coach van Racing Mechelen. Op zijn palmares ook negen bekers, waarvan één met VG Oostende. Met Telindus won hij in 2001 de Suproliga.

Hard labeur

'Ik heb nooit geloofd in tovenaars', vertelt Van Kersschaever. 'Als coach boek je succes door hard labeur. Zestien uren per dag was mijn gemiddelde. Met improvisatie kan je eens verrassen, maar een kampioenschap winnen lukt nooit. Als je een tegenstander door en door kent, hoef je geen stress te hebben. Stress is een vijand, druk een bondgenoot. Ik heb als coach geen seconde stress gehad. Druk was er wel, want er moest worden gepresteerd.'

'Als we een wedstrijd speelden, had ik de tegenstander minstens drie keer aan het werk gezien. Ik had twee mensen die wedstrijden gingen filmen. Alle informatie kwam in dossiers terecht, die hier nog steeds staan. Tijdens de voorbereiding sleutelde ik keihard aan mijn eigen ploeg. Als je in die zes weken je huiswerk niet hebt gemaakt, maak je dat nooit meer goed.'

'Ik heb nergens spijt van, maar mocht ik het toch kunnen overdoen, dan zou ik na mijn spelerscarrière niet meteen als hoofdcoach aan de slag gaan. Toen ik in 1974 vier jaar hoofdcoach was bij Sunair Oostende, merkte ik dat ik bepaalde zaken miste. Op het einde stond ik een tien wedstrijden zelf weer op het terrein om de club in eerste klasse te houden. Gelukkig was het basketbal nog niet geprofessionaliseerd, waardoor ik een stap terug kon zetten. Ik ging in de leer als assistent, eerst in Oostende bij Roger Dutremble en daarna bij Hellas Gent.'

'Ik heb nooit de illusie gehad dat ik het basketbal uitgevonden heb. Ik heb veel gelezen en ben ieder jaar naar de Verenigde Staten gereisd om er demonstraties en trainingen van andere coaches te bekijken. Dat doe ik nog steeds, twee keer per jaar. Inspirerende figuren bleef ik opzoeken. Andere keren zag ik hoe het niet moest. Wie coacht naast een dagtaak heeft wel tijd voor trainingen, maar niet om zich bij te scholen. Daar wringt het schoentje. Destijds heb ik Eddy Casteels gevraagd om twee jaar loopbaanonderbreking te nemen en het als coach te proberen. Vandaag zou ik dat niet meer doen. Welke garanties heb je daarvan te kunnen leven? De meeste Belgische clubs hebben een buitenlandse coach.'

'Ik merk het nu ook als jeugdtrainer bij Antwerp Giants en in Brussel. Nu hou ik me bezig met talenten van zo'n 16 jaar oud. Normaal moeten ze over twee tot drie jaar hun kans krijgen bij de eerste ploeg, maar de clubs importeren massaal buitenlanders. Er moeten minder, maar betere buitenlanders komen. Clubs moeten het aandurven in de eerste vijf minuten van een wedstrijd hun talenten op te stellen. Over een drie jaren hebben we dan een talentvolle groep Belgische basketbalspelers. Daarom ben ik jeugdtrainer geworden. Als we het Belgische basketbal willen redden, moet het daar gebeuren.'

'Kinderen spelen nu in de regel binnenshuis. Vroeger trokken wij naar buiten. Mijn ouders zijn vroeg gestorven en ik groeide bij mijn tantes op. Ze baatten in Blankenberge café Brasseur uit, een voetballokaal. Mijn broer voetbalde en mijn vader had dat ook gedaan. Ik had bovendien twee voetballende ooms. De ene speelde voor Club Brugge, de andere, Joseph Van Kersschaever, was een uitstekende centervoor bij Cercle. Ik speelde liever basketbal op het terreintje vlakbij ons café op het marktplein. Mijn tantes wilden mij weghouden van het basketbal omdat er na de wedstrijden werd uitgegaan. Daar was ik te jong voor. Ze zagen me liever zwemmen en waterpolo spelen. Mijn ploeg uit Brugge hield er een nog wilder stapgedrag op na, maar dat wisten mijn tantes niet. Zwemmers zijn serieuze mensen, zo dachten ze. Ze hadden het goed mis.'

'Na mijn spelerscarrière heb ik nog basketbal gespeeld bij de veteranen. Af en toe ging ik nog naar de fitness of klom ik op de fiets. Maar sinds enkele jaren ben ik lui geworden. Ik zou eigenlijk opnieuw moeten sporten, maar ik mis een lotgenoot. Zelf geef ik te gemakkelijk toe aan allerhande excuses. Ik mag niet meer snel zijn, op het parket kan ik nog alle technieken demonstreren. Mijn geest is nog scherp. Zolang ik kan, zal ik in het basketbal blijven', besluit Lucien Van Kersschaever.



Corrigeer

Doe de stemcheck van Het Nieuwsblad en ontdek met welke partij jij het best overeenkomt.

Auto's in de kijker

Vastgoed

Jobs in de regio