Wielertoerist zit sinds 1953 elke dag op de fiets

José (72) heeft 1 miljoen km in de benen

phk Foto: © PATRICK HOLDERBEKE

Zijn tante reed met de fiets en hij reed wel eens met haar mee. Naar Brugge, naar Brussel. Het was 1953 en José Balcaen uit Heule bij Kortrijk kreeg de smaak te pakken. Het gevolg: zijn teller staat nu op 1miljoen kilometer.

Die één miljoen kilometer heeft José Balcaen niet verzonnen. Alles staat netjes genoteerd in lijstjes, die hij intussen al 56 jaar lang bijhoudt. Minutieus. ‘Ik denk niet dat ik er een kilometer naast zit', zegt José. Hij heeft die nauwgezetheid en die fietsmicrobe van zijn tante zaliger. ‘Ze schreef alles op wat ze beleefde, elke dag. Zij begon al vóór de oorlog. In 1953 begon ik dat ook te doen: alles opschrijven en fietsen. Van Kortrijk naar Brussel en terug: wat is dat nu? Eerlijk, ik draaide daar mijn hand niet voor om. Nu nog niet. Het werd een verslaving. Ik ben sinds 1953 nooit met fietsen gestopt. Of toch: die ene keer toen ze mij aan mijn hart hebben geopereerd. Maar toen dat voorbij was: terug op de fiets!'

Toen José 21 werd, kocht hij een koersfiets. ‘Zesduizend frank. Ik heb er koersen mee gereden, bij de Groeningespurters in Kortrijk.' Spurten kon José Balcaen, want hij werd drie keer koerskampioen. ‘Dat was allemaal zo moeilijk niet, hoor', zegt hij. ‘Een koerske van 60 kilometer, wat is dat nu? Ik reed die gasten er allemaal af. Ik was de sterkste.'

José Balcaen reed zeven keer De Waalse Pijl. ‘Ik doe er ongeveer zeven uur en twintig minuten over', zegt hij. De Tour de France? Twee keer! ‘De Ronde van Frankrijk? Eigenlijk is dat niet zo moeilijk. Als je maar je eigen tempo kan rijden. De Tour kan je doen in 720 uur.'

Zijn jaargemiddelde bedraagt 25.000 kilometer. Soms was het meer, soms iets minder. ‘Zo'n 400 kilometer per week', zegt hij. ‘Goed of slecht weer, ik ga fietsen. Ook putje winter. Alleen als er sneeuw ligt of als het geijzeld heeft, hou ik me wat gedeisd. Dan ga ik joggen. Tien kilometer of zo, dat is eens iets anders.'

In 1980 wilde hij naar de Olympische Spelen in Moskou fietsen, maar door administratieve moeilijkheden ging dat niet door. ‘Ik had er mijn hand niet voor omgedraaid.' José Balcaen reed ooit op één dag de Ronde van West-België. ‘Vierhonderd kilometer! Helemaal in mijn eentje. Dat doe ik eigenlijk nog het liefst. Ze vragen mij soms of dat niet eenzaam is. Eenzaamheid, ik weet niet wat dat is. En saai is het ook al niet. Ik kijk wat rond, kijk of mijn trappers mooi ronddraaien en denk voor de rest nergens aan. Je hebt geen idee hoe geestig dat dat is.'

José gaat zelden naar de koers kijken. Toch kent hij de Ronde van Vlaanderen op zijn duimpje. ‘Door die zelf te rijden, natuurlijk! En niemand die me vraagt: Wat heb je daarvoor gedaan? Neen, ze vragen allemaal: Wat heb je daarvoor gepakt? Ik zal het je zeggen: niets! Ik heb nooit stimulerende middelen genomen. Integendeel: veel champagne en goede wijn als ik in Frankrijk op de fiets zat.'

Het is gevaarlijker geworden op de weg, dat weet een wielertoerist met een miljoen kilometer in de benen beter dan wie ook. ‘Onlangs hebben ze me nog omvergereden. Nog een geluk dat ik dat kan navertellen. En je moet meer dan ooit op je tellen passen als je je fiets buiten laat staan. Een tip? Draai het wiel van je fiets los, zodat ze er niet een-twee-drie mee kunnen wegrijden.'

José heeft zijn succes voor een stuk ook te danken aan zijn achterste. ‘Nooit last van gehad', zegt hij. ‘Sommigen kunnen na 200 kilometer niet meer omdat hun achterste zo'n pijn doet. Ik voel zelfs na vierhonderd kilometer nog niets. Nooit heb ik een biefstuk in mijn broek moeten leggen. Waarlijk, ik ben gezegend met een ideaal coureursachterste.'

Corrigeer

POPULAIRE VIDEO'S