FOTO. Jozef Cantré in mudel

Dit najaar belicht het mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) voor het eerst in meer dan bijna veertig jaar het werk van de Gentse beeldhouwer en houtsnijder Jozef Cantré (1890-1957). Op vrijdagavond 22 september stelde curator Peter Pauwels de retrospectieve tentoonstelling ‘Jozef Cantré. beeldhouwer & houtsnijder’ voor. De tentoonstelling loopt in mudel tot 7 januari 2018. Jozef Cantré woonde van april 1930 tot juni 1933 in Astene in Huize Zonnewonne, een klein huis aan de steenweg van Gent naar Kortrijk. Eind 1930 trok schilder Hubert Malfait in het andere deel van de tweewoonst in met zijn gezin. Cantré was goed bevriend met de Deinse kunstschilder Albert Saverys.

Vlaams expressionisme

De Gentse beeldhouwer en houtsnijder Jozef Cantré legde met zijn vrienden Gustave De Smet en Frits Van den Berghe de basis van het Vlaams expressionisme. Met zijn broer Jan-Frans Cantré, Frans Masereel, Henri Van Straten en Joris Minne bracht hij de moderne Vlaamse graveerkunst tijdens het interbellum tot een internationaal niveau. Bij bibliofielen en grafiekverzamelaars staan zij bekend als ‘de Vijf’.

Cantrés houtsneden en tekeningen verschenen in de meest progressieve Belgische tijdschriften van de jaren twintig. In Nederland, waar hij elf jaar verbleef, eerst in Blaricum en daarna in Oisterwijk, werd hij één van de voornaamste medewerkers van het literair en artistiek tijdschrift De Gemeenschap en de gelijknamige eraan verbonden uitgeverij.

Cantré stond in nauw contact met de belangrijkste Nederlandstalige auteurs van zijn tijd: Ernest Claes, Marnix Gijsen, Hendrik Marsman, Richard Minne, Wies Moens, Maurits Roelants, Henriette Roland Holst, Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, Menno Ter Braak, Karel van de Woestijne, Victor van Vriesland, ... Hij illustreerde hun boeken, ontwierp hun covers of nam soms de hele typografie van een uitgave voor zijn rekening. Velen onder hen werden echte vrienden.

Het rode Gent

Geboren in Gent in 1890, zou Cantré aan zijn academische opleiding – behoudens zijn vriendschap met Frans Masereel – weinig goede herinneringen overhouden. Veel belangrijker was de ontdekking in het atelier waar hij als leerjongen aanvaard was, van de sculpturen van George Minne.

Reeds vóór 1914 was de jonge Cantré te vinden in de artistieke kringen van Sint-Martens-Latem. Opgegroeid in het rode Gent van Edward Anseele en de samenwerkende vennootschap Vooruit engageerde hij zich met zijn jeugdvriend Richard Minne bij de Socialistische Jonge Wachten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog volgde hij aan de – weliswaar met Duitse steun – vernederlandste

Gentse Hogeschool de cursus kunstgeschiedenis. In 1918 aanvaardde hij er ook een plaats als assistent. Dit en zijn niet aflatend engagement in pacifistische kringen waren voldoende om hem na de wapenstilstand bij verstek te veroordelen tot vijf jaar gevangenschap.

Nederland

Cantré was reeds in oktober 1918 gevlucht naar Nederland, waar hij Gustave De Smet en Frits Van den Berghe terugvond. In het landelijke Het Gooi ontwikkelde zich een soort ‘Sint-Martens-Latem in

ballingschap’. Cantré leerde zijn vrienden de houtsnijkunst. Samen ontwikkelden ze, geïnspireerd door internationale voorbeelden, een sterk bij het kubisme aanleunende eigen variant van het expressionisme. De activistische dichter René De Clercq werd hun eerste promotor, een taak die al snel overgenomen werd door André De Ridder en Paul-Gustave Van Hecke in hun Brusselse galerie en tijdschrift Sélection.

Na de terugkeer van De Smet en Van den Berghe naar België bleef Cantré tot 1929 in Nederland. Hij stelde er tentoon met de Hollandse kunstkring en in tal van kunstzalen en bouwde er een belangrijk netwerk uit. In 1923 maakte hij twee reizen naar Berlijn, waar hij bevriend was met de bekende expressionistische auteur Georg Kaiser. Zeer belangrijk voor de verspreiding van Cantrés werk was zijn connectie met het katholiek geïnspireerde modernistische tijdschrift De Gemeenschap en de daaraan gekoppelde uitgeverij. In de kring van De Gemeenschap leerde Cantré de charismatische arts-schilder Hendrik Wiegersma kennen, bij wie hij de Parijse beeldhouwer Ossip Zadkine ontmoette. Net als Zadkine en tal van andere moderne beeldhouwers was hij een adept van de taille directe. Beeldhouwen werd voor hem in de eerste plaats rechtstreeks houwen uit steen en hout.

Terug in België

In 1929 kon Cantré terug naar België komen, waar hij reeds het volgende jaar volledig in eer hersteld werd. In de volgende jaren ontstonden bibliofiele kleinoden als Jaakske met zijn fluitje en Karel van de Woestijne’s De nieuwe esopet. Cantré illustreerde ook diens De Boer die sterft, wellicht zijn bekendste serie. Het was ook de periode van verschillende grote opdrachten voor monumenten voor Peter Benoit, René De Clercq en uiteindelijk in 1938 voor Edward Anseele in Gent.

Interbellum

De tentoonstelling dit najaar in het mudel (Museum van Deinze en de Leiestreek) focust op Cantrés werk tijdens het interbellum, niet alleen zijn houtsneden en boekillustraties, maar ook zijn sinds lang in privéverzamelingen verspreide beeldhouwwerk. Omringd door werk van o.a. Jan-Frans Cantré, de broers Gustave en Leon De Smet, Oscar Jespers, Hubert Malfait, Frans Masereel, George Minne, Charley Toorop, Frits Van den Berghe, Hendrik Wiegersma en Ossip Zadkine, plaatst de expositie Cantré terug in de vriendenkring en het netwerk van kunstenaars, schrijvers, kunstpromotors en uitgevers, waarin hij vertoefde in de eerste veertig jaar van vorige eeuw.

Monografie

Naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt ook de monografie: Peter J.H. Pauwels, Jozef Cantré, beeldhouwer & houtsnijder. De expressionistische jaren, 2017.

Museum van Deinze en de Leiestreek – mudel, Lucien Matthyslaan 3-5, 9800 Deinze. Tel: 09/381.96.70 – www.mudel.bemuseum@deinze.be

Openingsuren: weekdagen van 14 tot 17.30 u, zaterdag en zondag van 10 tot 12 u en van 14 tot 17 u. Maandag gesloten.

Corrigeer

Doe de stemcheck van Het Nieuwsblad en ontdek met welke partij jij het best overeenkomt.

Auto's in de kijker

Vastgoed

Jobs in de regio