,,Ik ben blij en niet meer zo bitter'

WANNES VAN DE VELDE (68) na vier jaar strijd met Leukemie

WANNES VAN DE VELDE (68) na vier jaar strijd met Leukemie

Foto: pdw

,,Ik ben er minder bitter door geworden’’, bevestigt Wannes van De Velde wanneer ik met hem praat over zijn ziekte en de somberheid van zijn jongste boek. ,,Ik ben weer actief. Maar ik moet wel oppassen voor infecties. Zoals elke leukemiepatiënt doe ik gemakkelijk iets op, maar mijn afweer is heel goed. Ge wordt veel gewoon als ge vier jaar in een soort milde quarantaine hebt geleefd en ge geen trein of tram moogt pakken omdat ge gemakkelijk iets opscharrelt.’’

Dat moet lastig zijn want je rijdt niet met de auto. Is het gevaar nu geweken?

,,Ja. De ziekte is volledig onder controle. Geestelijk heb ik er niet onder geleden. Ik ben zeer goed opgevangen in het ziekenhuis, zeer lief zelfs.’’

Heb je je nooit een nummer gevoeld?

,,Nee! Op geen enkel moment! Niet omdat ik ne bekende ben. De mensen worden op de Hematologie in Stuivenberg sic opgevangen met het grootste respect. Ze laten u voelen dat ge geen honderd zult worden, maar dat er u nog jaren met een hoge levenskwaliteit gegund zijn. Het klinkt zot, maar er hangt daar een aangename sfeer. Ik vertel erover in het vervolg. Want ik ben al die tijd blijven schrijven.’’

Wannes verwijst daarmee naarTijd-snede, zijn onlangs gepubliceerde Notities 1994-2000. Op de laatste bladzijden sluipt de levensbedreigende ziekte binnen. De laatste alinea luidt: ,,Eén vergissing zal ik alvast niet begaan: mezelf beklagen. De tijd dringt me zijn stilte op. Ik zal ze aanvaarden als iets waar ik allang recht op had.’’

Een dagboek publiceren, zit daar geen tegenspraak in?

,,Eind de jaren zeventig was er een heksenjacht op variétéartiesten. De RSZ wou precies dat we stopten. Ik heb toen een lijstje gemaakt van wat ik kon doen: poesjenellentheater spelen zoals vroeger, vertalen, schrijven of blijven zingen. Ik ben toen onder andere een column voor Knack beginnen schrijven: ’t Stad, over Antwerpen. Tien jaar heb ik dat gedaan. Ik had de smaak te pakken. Ik was een fervente lezer van de autobiografieën van Privédomein. Ge begint dat voor uw eigen uit te proberen…’’

Maar zo somber…

,,Tja. Heeft het ermee te maken dat mijn generatie als kind een oorlog heeft meegemaakt? Niet dat die oorlog ons leven zou neerdrukken. Maar waar die donkere onderstroom vandaan komt? Uit onvrede? Nee, niet tegenover mijn ziekte. Wel met uitingen in het hedendaagse sociale leven. Of met de ongelofelijke contrasten tussen rijk en arm?’’

Neem Antwerpen: mijn Carthago van malcontente kooplieden , dat verzinkt in geborneerd provincialisme .

,,Als klein manneke kende ik Antwerpen als een trotse provinciestad met een groot verleden, het New York van de 16de eeuw. Ik voelde mij heel goed in die donkere, welgedane stad. Nu is ze provincialistisch.’’

  ,,De breuk tussen Antwerpen en mij is er gekomen toen ze de oude stad zijn zijn gaan afbreken, te beginnen met mijn buurt, ja, de Vleeshuiswijk. Zelfs de huizen van barokkunstenaars als Artus Quellin en de Fluwelen Brueghel hebben ze gesloopt! De Huurschouwburg, volgens Sir Laurence Olivier het theater met de beste akoestiek van het vasteland, gewoon afgebroken!’’

Waarom ben jij niet de Antwerpse stadsdichter? Voor heel Antwerpen ben jij de enige ware.

,,Ze hebben me gevraagd: ik heb geweigerd. Omdat ik me niet geroepen voelde. Ik ben al veertig jaar stadsdichter van Antwerpen en ik zal over de stad blijven schrijven.’’

Christen of boeddhist

Het cultuurbeleid verburgerlijkt , schrijf je boos.

,,Weet ge dat vernieuwing een heel burgerlijk begrip is? Nieuwigheid is altijd de slechtste raadgever in de kunst geweest.’’

Hela, wat dan met de avant-garde?

,,Dat doet ge thuis, of het moest heel goed zijn. Pak eender welk lifestyle-magazine vast. Dat is etaleren van zinloze luxe. Geen gezeik, iedereen rijk. Dan staat er een foto in van een designrestaurant met een toog die verwijst naar zen! Wàt is dàt?’

  ,,Ik kan me storen aan dingen die ik zie. Ik wil geen criticus zijn, niet offensief. Ik wil daar kwetsbaar in zijn. Ik wil laten zien dat iets mij pijn kan doen. Die hulpeloosheid, die weerloosheid is volgens mij een goeie tegenbeweging. En da’s christelijk, hé? (dromend) Ik ben niet kerkelijk grootgebracht. Maar Jezus blijft me toch fascineren. (stil) Moeilijk, al die intuïtieve dingen die in uw pen kruipen.’’

Maar Kerstmis is al lang niet meer de dag dat ze niet schieten , corrigeer je je eigen liedjestekst.

,,Ik zou een nieuw lied moeten maken, niet? Men schaamt zich al niet meer om met Kerstmis voort te schieten. Was het uit schaamte dat ze met Kerstmis niet schoten? Of uit gewoonte?’’

Dan maar boeddhist worden en de onmacht en nietigheid belijden?

,,Neenee! Absoluut niet. Ik ken de fond van die filosofie wel, ze heeft haar waarde, maar ze is wel heel erg individualistisch.’’

En dat is in tegenspraak met de sociaal militante Wannes?

,,Ik weet dat niet. Ik ben sociaal betrokken. Maar niet militant, neen. In die gezangen die ik breng, zijt ge efkes een cafézanger die zich, als een acteur, transformeert. De tekst is gecondenseerd, in een paar strofen moet het eróp zijn.’’

,,Ik heb gezongen tegen extreem-rechts voor dat ze er waren. Pakweg in 1965, toen de Volksunie begon, heb ik een liekesic gemaakt, Zwijgt me van de Vlaamse kwestie. Toen ze met hun trommels in ’t gelid in Uilenspiegels naam en met 8Hitlerjugend-gesten over straat marcheerden.’’

Onmacht zit binnenin

Het was in die jaren dat je je hebt afgewend van wat je het kleinburgervertier van het Festival van Vlaanderen of de gewichtigdoenerij van 8deSingel of Klara noemt?Geef mij de richel, de goot desnoods, maar duw me niet op de middenweg.

,,Ik heb het misschien wat te kwaad geformuleerd, zeker tegenover Klara, want die heb ik altijd opstaan. Maar er zit een tendens in: ze denken allemaal de verplichting te hebben om mainstream te gaan. (heftig) Weet ge wie een bijna extreem symbool van verburgerlijking is? Jan Hoet. Dat zelfbehagen, die zelfgenoegzaamheid, de macht dat die petit bourgeois uitstraalt, beangstigend gewoon. Puur door z’n uitstraling, alsof het een masker was. Ik ben bang van zulke mensen.’’

  ,,Voor mijn generatie is kunst een schoon tekening kunnen maken, een bronske kunnen gieten, met uw vak bezig zijn. Maar daarmee lachen die mannen. Ik heb moeite met conceptuele kunst. Die straalt zo’n cynisme uit, dat kan mij choqueren. Ik ben zo wantrouwig tegenover zulke vormen. In de muziek, die minimalisten als John Cage, dat is zure regen. De kunst van Joseph Beuys is heel erg. Ik ben een van de weinigen die durft zeggen dat Beuys een zeer goed gespeelde en volgehouden karikatuur is. De geschiedenis zal me wel gelijk geven.’’

In Mijn grootmoeder was van Doel zing je: Ik gaan sichier niet klagen, dat zit er niet in, ne sic mens moet zijn onmacht bekennen. In je dagboek schrijf je: Ook al ben ik geen arbeider geworden, toch is er iets essentieels van de werkersstand in me blijven leven: de trots van onmacht . Onmacht, Wannes?

,,Ge kunt zo onmachtig zijn dat er trots in schuilt. Denk aan de Zuid-Amerikaanse indianen, denk aan de zigeuners, die ik toevallig goed ken, van de flamenco.’’

Heb je onmacht gevoeld in je ziekte?

,,Neen. Die komt uit mijn genen, die zit in mijn dna, mijn diepste binnenste. Dat is iets van mij, dat heb ik verwerkt. Onmacht vind ik bij veel mensen terug. Denk maar aan oude mensen. Of aan jeugdbendes die mensen lastig vallen. Vanwaar komt dat, denkt ge? Uit onmacht.’’

  ,,Op de tram heb ik twee knapen van twaalf gezien die een man van in de vijftig bedreigden. Hij had die wel aangekund, daar niet van, maar weet ge wat ik zag zitten toen ik naar die gastjes keek? Zelfmoordenaars. Zo pijnlijk! Ja, en oordeel  dan maar.’’

Corrigeer

IN HET NIEUWS

POPULAIRE VIDEO'S

Het beste van Enkel voor abonnees