Zorgeloos met pensioen

Zorgeloos met pensioen

Foto: Shutterstock - Junker

Wil je later genieten van een zorgeloze oude dag? Dan begin je best tijdig met pensioensparen. In België ligt het wettelijk pensioen bij de meeste mensen heel wat lager dan het loon dat ze op het einde van hun carrière gewoon zijn. Een eigen pensioenspaarpotje zorgt ervoor dat je een appeltje voor de dorst hebt na je professionele loopbaan. Bovendien loont pensioensparen niet alleen op lange, maar ook op korte termijn. Je geniet namelijk onmiddellijk fiscale voordelen.

Waarom starten met pensioensparen?
Een klassieke pensioenopbouw heeft twee pijlers: het wettelijk pensioen voorzien door de overheid en het aanvullend pensioen via je beroepsactiviteit. Deze twee pensioenpijlers bieden nog geen garantie dat je de levensstandaard die je tijdens je professionele carrière gewoon bent ook op je oude dag kunt behouden. Daarom kun je best je pensioen ook zelf aanvullen. Dat kan met pensioensparen of langetermijnsparen.

Het wettelijk pensioenstelsel in België is een repartitiestelsel. Dat betekent dat de werkende generatie door sociale bijdragen het pensioen van de niet-actieve, oudere bevolking betaalt. Dat is een solidair en sluitend systeem als de balans tussen werkende en niet-werkende personen gelijk blijft. Maar dat is nu niet het geval: er zijn in verhouding steeds meer gepensioneerden. Bovendien gaan veel Belgen nog te vroeg met pensioen – gemiddeld op 57 jaar in plaats van op 65 jaar, de officiële pensioenleeftijd. Als je daarbij optelt dat we alsmaar langer leven, dan merk je meteen dat het wettelijk pensioen tekortschiet voor de meesten.

Wie zelf aan pensioensparen doet, voelt zich dus gerust voor later. Je bouwt zo immers een mooie reserve op waardoor je alle dromen en projecten op je oude dag kan waarmaken. Hoe vroeger je begint, hoe groter de reserve! Bovendien geniet je als pensioenspaarder of langetermijnspaarder meteen al een fiscaal voordeel.

Hoe doe je aan pensioensparen?
Er zijn verschillende manieren om naast het wettelijk pensioen aanvullend een pensioenspaarpot op te bouwen. Zo is er het aanvullend pensioensparen via de beroepsactiviteit. Sommige werkgevers zorgen voor een aanvullend pensioen voor hun werknemers, in de vorm van een groepsverzekering of pensioenfonds. Dit aanvullende pensioen is niet verplicht. Je hebt het dus niet zelf in de hand. Bij zelfstandigen geldt het natuurlijk niet. Zij kunnen wel zelf een aanvullend pensioen via hun beroepsactiviteit opbouwen. Ze hebben daar, meer nog dan de werknemers, baat bij. Het wettelijk pensioen voor zelfstandigen is immers lager dan dat van werknemers.

Wat je als werknemer (en ook als zelfstandige) wel in eigen handen hebt, is het individueel aanvullend pensioensparen of langetermijnsparen. Er zijn verschillende manieren om individueel aan pensioensparen te doen. De belangrijkste zijn het collectieve pensioenspaarfonds en de individuele pensioenspaarverzekering. Bij deze beide formules geniet je onmiddellijk een belastingvoordeel. Je kunt het gestorte bedrag immers jaarlijks aftrekken van je belastbaar inkomen, waardoor je minder inkomstenbelasting betaalt.

Pensioenspaarfonds of pensioenspaarverzekering?
Kies je voor een pensioenspaarfonds of een pensioenspaarverzekering? Het is belangrijk om de voor- en nadelen van beide formules tegenover elkaar af te wegen en te kiezen voor die formule die het best bij jouw individuele situatie past. We zetten één en ander op een rij.

Een pensioenspaarfonds belegt het bedrag dat je spaart in aandelen en obligaties. Je weet dus niet op voorhand wat de eindopbrengst wordt. De winst hangt af van de evolutie van de beurs en de obligatiemarkten. Een pensioenspaarverzekering levert daarentegen wel een vaste opbrengst op. Die vaste opbrengst wordt per storting bepaald en is wettelijk vastgelegd op maximaal 3,75% per jaar. Je krijgt dus voor elke storting in een pensioenverzekeringsfonds een gewaarborgde rente. Daarnaast kun je ook een deelname in de winst krijgen. Die is niet gegarandeerd en wordt jaarlijks bepaald door de verzekeringsmaatschappij op basis van de financiële resultaten. De pensioenspaarverzekering is de meest ‘zekere’ formule, maar het potentiële rendement ligt evenwel hoger bij een fonds dan bij een verzekering.

Als je beide formules tegenover elkaar afweegt, kun je concluderen dat een pensioenspaarfonds interessant is als je begint te sparen op jonge leeftijd. Dan is het risico van een negatief rendement zo goed als uitgesloten, omdat negatieve beursfluctuaties op lange termijn opgevangen worden.

Wie opteert voor een spaarfonds, kan kiezen tussen een meer dynamisch of een eerder defensief fonds. Het karakter van een fonds wordt bepaald door de verhouding tussen aandelen en obligaties. In dynamische fondsen zitten meer aandelen, in defensieve fondsen meer obligaties en daarom meer zekerheid. Je kunt het fonds dus aanpassen aan je individuele situatie. Naarmate je ouder wordt, is een meer defensief fonds bijvoorbeeld eerder aangeraden. Er is dan immers minder tijd om zwakke beursjaren op te vangen.

Fiscaal voordeel
Bij beide formules, pensioenspaarfonds en pensioenspaarverzekering, pluk je niet alleen de vruchten op lange termijn, maar geniet je ook op korte termijn een fiscaal voordeel. Wie individueel bouwt aan zijn pensioen wordt voor die inspanningen immers beloond door de overheid. Je mag het gestorte bedrag in een pensioenspaarfonds of -verzekering jaarlijks aftrekken van je belastbaar inkomen, waardoor je minder inkomstenbelasting betaalt. Voor het aanslagjaar 2012 (=inkomstenjaar 2011) kun je 880 euro inbrengen. Het belastingvoordeel bedraagt tussen 30 en 40% van het geïnvesteerde bedrag, afhankelijk van je inkomen. Concreet bespaar je zo tussen 264 en 352 euro. Ook je gemeentebelasting zal een stuk lager zijn. Het fiscale voordeel van het langetermijnsparen voor het aanslagjaar 2012 (inkomstenjaar 2011) wordt bepaald in functie van je beroepsinkomen, met een fiscaal maximumvoordeel van 2.120 euro.

Volgens de fiscale wetgeving betaal je aan het einde van de rit, wanneer je het bedrag opvraagt of 60 jaar oud bent, dan alleen nog een eenmalige bevrijdende taks. Die bedraagt 10% of 16,50% van het pensioenkapitaal. De regeling van 10% geldt voor een kapitaal opgebouwd met stortingen vanaf 1993 en 16,50% voor kapitalen opgebouwd voor 1993. De taks wordt automatisch geheven via de financiële instelling of de verzekeringsmaatschappij waar je de rekening of verzekering hebt. Deze eenmalige taxatie zal in de meeste gevallen een stuk lager zijn dan het fiscale voordeel dat je jaar na jaar kreeg.
 

Voor pensioenspaarverzekeringen wordt de reserve (exclusief de winstdeelname) tegen de contractueel bepaalde intrestvoet getaxeerd. Voor pensioenspaarfondsen wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve jaarlijkse rente van 4,75% (6,25% bij bedragen gestort voor 1991). De fiscus neemt dus niet het werkelijk opgebouwde kapitaal, maar een fictief berekend kapitaal. Als je die eenmalige belasting betaald hebt, kun je gewoon verder sparen. Je blijft het jaarlijkse fiscale voordeel genieten tot en met het jaar waarin je 64 wordt.

Sparen buiten de fiscaliteit
Je kunt ook sparen voor een appeltje voor de dorst, zonder dat er onmiddellijk een fiscaal voordeel aan verbonden is. Dan kies je voor een levensverzekeringsformule. Dat is ook een vorm van beleggen. Er zijn verschillende mogelijkheden binnen deze formule: zo kun je bijvoorbeeld ook kiezen voor een gewaarborgde rente gedurende acht jaar. Belangrijk bij je keuze van type levensverzekering is vooral de termijn waarop je de belegging ziet. Als je pensioen nog veraf is, kun je bijvoorbeeld kiezen voor meer risicovolle beleggingen met een hoger opbrengstpotentieel. Ben je al wat ouder en is de termijn tot je pensioen niet zo heel lang meer? Dan zijn er minder risicovolle, conservatieve beleggingen. De minimumlooptijd van de belegging is 8 jaar en 1 dag. De maximumduur 8 jaar en 1 maand. Er is geen onmiddellijk belastingvoordeel.

Corrigeer

POPULAIRE VIDEO'S