‘Terug naar opwinding rond Obree en Boardman’

Nieuwe UCI-bestuur wil ontwerp van fietsen minder strikt reglementeren

Ziet de wielersport binnenkort opnieuw experimentele fietsen zoals die waarmee Chris Boardman of Graeme Obree het werelduurrecord verbeterden? Zou kunnen, want de machtige fietsindustrie vraagt meer ruimte voor innovatie en het nieuwe UCI-bestuur zet de deur op een kier.

De UCI stelde vorige week in haar technische commissie de Brit Dimitris Katsanis aan, een specialist in fietsontwerp die de opdracht meekrijgt om de reglementering rond fietsen ‘te moderniseren’. Martin Gibbs, directeur-generaal van het UCI, vertaalde zijn opdracht zo: ‘We willen opnieuw de interesse (rond fietsontwerp, nvdr.) van in de tijd van Graeme Obree en Chris Boardman. Niet de anarchie van die periode, maar wel de opwinding er rond.’

Bidsprinkhaan en haaienvin

Opwindend was het destijds inderdaad: in hun onderlinge strijd om het werelduurrecord gingen Boardman en Obree midden jaren negentig op zoek naar alle mogelijke aerodynamische of biomechanische voordelen, wat zich vertaalde in een extreme positie (bidsprinkhaan of superman) en een zeer experimentele fiets. In het wegwielrennen gold Thierry Marie als innovator: hij begon aan de proloog van de Tour van 1986 op een zadel met haaienvin.

Voor de UCI was het destijds een ongemakkelijke realiteit: de fiets leek bepalender te worden dan de atleet. ‘Na de Spelen van Atlanta 1996 kwamen er klachten van het IOC’, zegt Jean Wauthier (73), die bijna twintig jaar hoofd was van de technische commissie van de UCI. ‘De Italianen reden alles kapot met zeer gemiddelde renners op extreem aerodynamische fietsen. Daar hebben we gezien dat technologie een gigantisch verschil kan maken. Dan sta je als sport voor een filosofische vraag: is de atleet, zoals in het Formule 1, een onderdaan van de technologie van zijn tijd, of primeert de mens? Wij hebben toen met hele strikte reglementen de mens op de eerste plaats gezet.’

Vandaag, onder het bewind van de Brit Brian Cookson, lijkt de UCI daar niet langer heilig van overtuigd. Wauthier, destijds aangesteld door Hein Verbruggen, is niet verbaasd: ‘De Angelsaksische gedachte heeft de UCI overgenomen’, zegt hij. ‘En dat betekent honderd procent openheid naar technologie, zonder stil te staan bij wielercultuur of geschiedenis. Ik heb hydraulische voorvorken destijds verboden in Parijs-Roubaix, omdat ze de effecten van kasseien ongedaan maken. Maar voor de Angelsaksen is dat geen overweging: zij lachen met de geschiedenis van het wielrennen.’

De UCI hanteert nu nog het zogenaamde ‘Lugano Charter’, een document dat Wauthier opstelde in 1996 en dat duidelijk vooropstelt dat de mens in de wielersport altijd moet primeren op de technologie. Vraag is in hoeverre het nieuwe UCI-bewind die stelling getrouw blijft. Directeur-generaal Gibbs gaf al aan dat ‘moet nagegaan worden of het Lugano Charter’ niet moet herschreven worden.’

In een wielerbestel dat financieel steeds meer gedragen wordt door de fietsconstructeurs, staat de UCI bovendien onder druk om de relatie tussen mens en technologie te herzien. Bij Ridley bikes, de leverancier van Lotto-Belisol, zegt Anthony Kumpen heel duidelijk: ‘Het wielrennen moet ook een technologische competitie zijn.’

Hardliner Wauthier ziet het met lede ogen aan. ‘De lobby van de industrie is machtig’, zegt hij. ‘Maar ik heb er altijd aan weerstaan. Je mag hen de wielersport niet laten leiden. Ze hanteren economische normen, met als ultieme droom elk jaar een fiets met een nieuwe technologie op de markt brengen. De fiets wordt dan een product zoals de televisie, waarvan je om de zoveel tijd een nieuw model moet kopen. Het is dan de macht van het geld die spreekt en dan ben ik er zeker van dat we de komende twintig jaar rare dingen gaan zien Ja, vreemder nog dan de fiets van Obree.’

Corrigeer