Fit & Gezond

‘Ik ben drie keer gevallen’

Tijdrovend, (te) strakke lelijke pakjes, zadelpijn, verloren rijden, klikpedalen. Onze vrouw zag meer redenen om niét op de koersfiets te kruipen dan om het wel te doen. Maar voorzien van trainer en goed materiaal, ging ze de uitdaging toch aan. Vier maanden na de eerste (klik)pedaaltrap: de voornaamste bevindingen op een rij. ‘Morgen kan ik toch gaan fietsen?’

Ik ging eens kijken hoe dat gaat, een koersfiets onder de poep en kilometers vreten. Halfweg februari was dat. Van fiets, trainer en uitrusting zou ik worden voorzien. Alsook van een paar doelen. Een rit (125 kilometer) in de ‘1000 kilometer voor Kom Op Tegen Kanker’ eind mei, intussen dus voorbij, en het ultieme doel: in vier dagen van Maastricht naar Reims (via de Ardennen is dat), begin september.

De verwachtingen lagen niet al te hoog. De koersfiets was voor mij een lichaamsvreemd object. Ik had nul komma nul ervaring en geen idee of ik het in mij had. En of ik het graag zou doen. Maar ik had wél zin om het te proberen. Naar verluidt is dat de eerste stap.

Het minste wat ik een kleine vier maanden later kan zeggen, is dat verdere stappen zijn gezet. Dat ik onlangs op zondagmiddag met natte haren op het lentefeest bij goede vrienden arriveerde, valt op dat vlak betekenisvol te noemen. Zo graag zie ik mijn Beauty ondertussen, dat ik, van het miljoen dingen die ik tijdens die lege voormiddag (niet koken!) nog meer had kunnen doen, het liefste nog wat kilometertjes ging maken. Ik denk nog wel eens terug aan een van mijn eerste afspraken bij Eddy Merckx Cycles, die me hun vrouwenmodel ter beschikking stellen. ‘Voor je ’t weet heb je de microbe te pakken en wil je alleen maar meer en verder fietsen’, zei marketingverantwoordelijke Angélique Dupré. Ik weet nog dat ik zo overtuigd mogelijk trachtte te knikken, om het stemmetje in mijn hoofd het zwijgen op te leggen. Het stemmetje dat zei: ‘Je weet goed genoeg dat dat niet waar is’. Maar dat zich intussen toch al een hele tijd niet meer geroerd heeft. Ha!

Op datzelfde lentefeest zag ik me trouwens nog meer dingen doen, die ik tot vier maanden geleden voor onmogelijk had gehouden. Gesprekken voeren met het aanwezige manvolk bijvoorbeeld, over tandwielen en versnellingen en kaders van carbon (met volle goesting zelfs). En met de spierballen rollen. Zij: ‘Wanneer rijd je er ons af?’ En ik: ‘Wacht maar.’ Wat vooralsnog uiteraard niet meer dan stoere taal is. Maar dat de dag komt, dat ik deze ervaren rotten op z’n minst niet zal moeten lossen, is stiekem toch een streefdoel.

Dat ik de microbe te pakken heb, is dus inderdaad een feit. Mijn belangrijkste bevindingen in de aanloop daar naartoe zet ik hieronder op een rij.

(Een beetje) fietsconditie kweek je snel

Wat heb ik precies gedaan? Vier maanden lang ten minste twee keer per week de fiets op. Aanvankelijk reed ik veel thuis, op rollen. Van zodra de zon begon te schijnen (en mijn zelfvertrouwen groot genoeg was), ben ik naar buiten gegaan (de rollen laat ik nu echt liever waar ze zijn). Eerst voor ritjes van dertig tot veertig kilometer (vond ik al heel wat) tot nu gemiddeld zestig, maar als ik mag kiezen liever iets meer. Bij mijn trainer Kristof De Kegel van Nea-Forma heb ik twee inspanningstests gedaan, half maart en half juni. Dat tussen de eerste en de tweede een verschil zit in conditie, is een veel grotere opsteker dan ik ooit had kunnen denken. Fietsconditie kweek je blijkbaar snel. Al moet het hoerageroep ook weer niet overdreven worden. Ja, ik heb mijn eerste doel bereikt, maar volgens Kristof hebben vier maanden trainen me naast veel zelfvertrouwen vooral een goede basisconditie opgeleverd (met de nadruk op basis). Het ‘echte’ werk, dames en heren, dat komt er nu pas aan, in de vorm van hellingen en intervaltrainingen (trainen in verschillende hartslagzones).

Zo geklikt

Alle begin is moeilijk en dat is voor fietsen niet anders. Een koersfiets voelt anders dan elke andere fiets waarmee je al gereden hebt. Door zijn futiele gewicht reageert hij op elke beweging (vooraleer ik uit mijn drinkbus durfde te drinken tijdens het rijden!) en dat te leren aanvoelen vraagt tijd. Na die tijd vraag je je weliswaar af wat ooit het probleem was, maar goed, het is niet anders. En nog beter nieuws: hetzelfde geldt ongeveer voor de vermaledijde klikpedalen, waar iedereen je zo voor waarschuwt, meestal met de vraag: ‘En, al veel gevallen?’ Ik bén gevallen, ja. Drie keer om precies te zijn (of vier, maar die laatste, dat had nooit mogen gebeuren). Maar of dat erg is? Omdat een ‘klikpedaal-val’ meestal aan lage snelheid gebeurt, levert het zelden ernstiger kwetsuren op dan schaafwondjes en blauwe plekken (en – dat vind ik veel erger – telkens toch weer een minimale beschadiging voor mijn mooie Beauty). Na een paar weken is het losklikken ook echt een automatisme en het vallen weegt nooit op tegen de winst die je uit klikpedalen haalt tijdens het fietsen. Aan al wie het overweegt, luister naar de woorden van een angsthaas die er zelf niet in geloofde: klikpedalen zijn niét zo erg, ik herhaal: niét zo erg, als iedereen beweert.

Alleen is maar alleen

Wees gerust, ze zijn er geweest, de momenten waarop ik echt het land had aan dat fietsen. Dat elke trap moeite kostte en de kilometers aan een slakkengangetje aantikten op mijn kilometerteller. Momenten waarop ik alleen maar vertrok omdat mijn plichtsbesef (‘ik heb me geëngageerd’) sterker bleek dan mijn vermogen om foert te kunnen zeggen. Toeval of niet (niet dus, denk ik), ik heb dat gevoel alleen gehad als ik er in mijn eentje op uit trok. Of hooguit in het gezelschap van de wind. Ander gezelschap blijkt voor mij dus cruciaal. Niet alleen om een lekke band met twee het hoofd te kunnen bieden (nog nooit gebeurd overigens, hout vasthouden), maar omdat babbeltjes de tijd veel sneller doen passeren (fietsen nodigt uit tot ontboezemingen, heb ik al gemerkt) en de wind minder steekt als je eens samen kunt zuchten.

Soms dient dat gezelschap zich spontaan aan. Vaker dan je denkt zelfs en dat is een van de verrassingen van het fietsen voor mij. Vooral op druk befietste jaagpaden langs waterlopen blijft er al eens iemand ‘plakken’ (of omgekeerd, mééstal omgekeerd). Ik herinner me vooral Eddy, een zestiger uit Oudenaarde, en vroeger een soort semi-prof, van wie ik de volgende uitspraak onthoud: ‘Als jij aan een koers zou meedoen, je zou nog niet eens de laatste zijn.’ Een compliment zonder weerga, vond ik dat. Al zal ik niet ontkennen dat ik misschien dat tikkeltje harder mijn best deed dan anders.

Maar de garantie dat je aangenaam gezelschap zomaar tegen het lijf fietst heb je natuurlijk nooit en dus kan het geen kwaad om dat zelf wat te organiseren. Trainen voor een bepaald doel (zoals de 1.000 kilometer) schept een motiverende band tussen de deelnemers. Maar aan te raden valt ook om de ogen te openen voor onvermoede fietsers in je dichte of verdere vriendenkring. Mijn voornaamste fietsmaatje is een buurvrouw, van wie ik niet eens wist dat ze een koersfiets had. Maar met wie ik intussen al flink wat fijne kilometers heb afgemaald. En met wie ik me – ongelofelijk maar waar – zelfs bij een wielerclub heb aangesloten. Een vrouwenclub weliswaar, maar het is nog altijd met gegiechel dat we ons op donderdagavond naar de wekelijkse afspraak met de Lootse Flandriennes haasten. Met het parcours netjes uitgestippeld, de kruispunten vrijgemaakt (de kick die het geeft als je met z’n veertigen de openbare weg inpalmt), is het genieten in ons peloton. Om van de leuke babbels nog te zwijgen. En de pijlsnelle service als er lek gereden wordt. Er zijn een paar kraks bij wie ik dringend in de leer moet gaan.

Weten wat Annelies vindt van knooppuntfietsen? Haal dan de weekendbijlage van Het Nieuwsblad met ons magazine van zaterdag 28 juni in huis. 

Corrigeer

Het beste van Enkel voor abonnees