Tot hier en niet verder

Tot hier en niet verder

Liesbeth Van Impe

Het is een vertrouwde tandem, elke dag weer in uw krant op pagina twee. Bovenaan het commentaar, eronder de cartoon van Marec. We hebben het wel eens over hoe we allebei elke dag weer met de actualiteit van de dag aan de slag moeten. Onze bedoeling is dezelfde: op een bepaalde manier naar de wereld kijken en er proberen iets zinnigs over te zeggen. Niet om mensen te overtuigen, maar om hen aan het denken te zetten. De wapens (en ja, vandaag lijkt die term gepaster dan ooit) zijn helemaal anders: ik mijn woorden, hij zijn beelden en, vooral, zijn humor. In het volle besef dat lachen zoveel dieper kan snijden dan woorden.

Cartoonisten maken onlosmakelijk deel uit van de gedrukte pers. Een hoekje satire, zelfs in kranten die voor de rest bijzonder ernstig met het nieuws omspringen. Dat is geen toeval. Humor die mag bijten heeft een vrijplaats nodig en is fundamenteel om van vrije meningsuiting te kunnen spreken. Dictaturen verdragen geen humor, enkel in een democratie wordt gelachen met de macht. Zelfs de machthebbers kunnen niet anders dan groen mee lachen.

De voorbije jaren is vaak gediscussieerd over hoe ver humor mag en moet gaan. Dat is in wezen een makkelijk debat. Mag je met alles lachen? Ja. Moet je met alles lachen? Niet noodzakelijk. Sommige grappen maken we niet (recente tragedies, bepaalde handicaps ...) omdat we niet onnodig willen kwetsen. Maar mag het? Absoluut. Het is een van de wrangere voorrechten van leven in een democratie dat er met je gelachen mag worden. Leer ermee te leven.

De discussie spitste zich de laatste jaren vaak toe op lachen met de islam en, meer specifiek, mohammedcartoons. Charlie Hebdo sloot op dat vlak geen enkel compromis. Andere media, waaronder deze krant, maakten andere afwegingen. Niet uit schrik, we hadden eerlijk gezegd nooit gedacht dat iemand ooit deze prijs in bloed zou moeten betalen. Wel omdat we intussen zo gewoon geworden zijn aan vrijheid van meningsuiting dat we andere factoren kunnen laten meespelen, zoals de overweging om niet onnodig te schofferen. Maar niemand van ons zou ooit het recht van Charlie Hebdo betwist hebben om te publiceren wat ze wilden.

De aanslag op Charlie Hebdo is tegelijk een aanslag op onze geruststellende zekerheid dat vrijheid van meningsuiting een verworven recht is, dat niet meer met hand en tand bij elke gelegenheid verdedigd moet worden. De terroristen vielen niet enkel een symbool van westerse vrijheden aan, ze hadden een lijstje met namen bij. Namen van mensen die met cartoons, met pen, papier en creativiteit, gaten probeerden te schieten in de burchten van het fundamentalistisch eigen grote gelijk. En daar blijkbaar succesvoller in waren dan ze zelf konden bevroeden als ze het in de zieke geesten van extremisten tot vijand nummer één konden schoppen.

Mogen we lachen met de islam? Dat mocht altijd al. Moeten we lachen met zij die van hun geperverteerd geloof een alibi voor beestachtig moorden maken, in Parijs, maar ook in Syrië, Irak en alle andere plekken waar ze hun eigen hel op aarde installeren? Meer dan ooit. Tot hier en niet verder. De aanslag op Charlie Hebdo bewijst niet dat de cartoonisten te ver gingen, maar dat ze gelijk hadden dat er nog altijd een strijd te voeren valt.

George Orwell wist al: ‘Als vrijheid iets betekent, dan wel het recht om mensen te vertellen wat ze niet willen horen.’ Wat extremisten blijkbaar niet willen horen, is satire, humor die zekerheden ondermijnt en mythes onderuit haalt. Laat dus maar komen. De pen heet machtiger te zijn dan het zwaard. Niet gisteren, toen won het geweld. Maar na de eerste schok gingen overal ter wereld cartoonisten terug aan hun tekentafel zitten. Zij krijgen vandaag een prominente plaats in de krant. Omdat we echt blijven geloven dat op het eind de pen de strijd kan winnen.

Corrigeer