HANS. De Academie

HANS. De Academie

Foto: if

Lochristi - Geachte lezer, de tijden veranderen snel. Supersonisch snel lijkt het weleens. Sommige dingen blijken echter niet of nauwelijks aan verandering onderhevig te zijn. Een klein voorbeeldje hiervan zijn de aanhoudende debatten over het onderwijs. Wel een ‘brugklas’ of juist niet? De leerstof eenvoudiger maken om de slaagkansen te vergroten of juist moeilijker maken om het niveau van de afgestudeerden op te krikken? Allemaal ouwe koek waar ze in mijnen tijd ook al niet zo goed uit geraakten. En wat met den jeugdigen mensch zelve? Moet die zijn volledige toekomst al kunnen uitstippelen voor de prille leeftijd van twaalf jaar? Ik wist het toen gelukkig wel al of…… Enfin hiernavolgend mijn persoonlijk relaas.

 

De Academie

Kunstenaar, dat wilde ik graag worden later. Waarom, god mag het weten want wat wist ik immers over kunstenaars? Het enige wat ik waarschijnlijk wel wist, was dat kunstenaar een ‘beroep’ was dat mijlen ver aflag van alle andere beroepen die ik tot dan toe kende en die ik zeker niet voor de rest van mijn leven wilde uitoefenen.

 

 Ik zal ongeveer een jaar of tien, twaalf geweest zijn op het moment dat dit plan zich in mijn brein is beginnen nestelen. Wat dit kunstenaarschap concreet behelsde daar had ik op dat moment nog geen flauw benul van. Aan de tegenstand echter, die ik toen reeds ondervond van de volwassenen rondom mij, voor dit ‘metier’, zoals dat ietwat minachtend door mijn vader benoemd werd omdat dit zogezegd weinig of geen toekomstperspectieven te bieden had, kon ik toch al merken dat  ik niet de gemakkelijkste weg had uitgestippeld voor mijn toekomstige levenswandel. Maar, zelfs nadat mij meermaals op het hart gedrukt was, met de beste bedoelingen overigens, dat kunstenaar zijn geenszins een solide basis was om in je levensonderhoud te kunnen voorzien, kon men mij niet van mijn plannen afbrengen. 

 

Neen sterker nog, het verhoogde de uitdaging en het versterkte de magie die er van uitging. Om mijn latere financiële toekomst te verzekeren beloofde ik, zij het nogal roekeloos, dat ik dan maar ‘in de reclame’ zou gaan. Of eventueel tekenleraar zou worden  zoals dat toen heette. Geen van de twee beroepen  had volgens mij  ook maar iets met het kunstenaarschap te maken, maar wat kan je anders doen als een kind van die leeftijd om je zin te krijgen en je verborgen plannen te kunnen uitvoeren. 

 

 Zover was het natuurlijk nog lang niet. Eerst diende ik nog de middelbare school te doorworstelen. In die jaren toen men, net als nu dus, volop aan het experimenteren was met nieuwe leerplannen,  kon je al vroeg  bepaalde vakken ‘laten vallen’. Vakken die jou niet lagen. Op deze manier kon je dan een ‘vakkenpakket’ samenstellen dat het beste bij jou paste en dat meer gericht was op later te volgen studies. Dat gemakzucht dikwijls een belangrijke rol speelde bij het bepalen van deze keuzevakken zal niemand verbazen.  Als tiener zoek je toch immers dikwijls de gemakkelijkste weg naar het te bereiken doel.

 

Het eerste vak dat er bij mij aan moest geloven en uit het lessenpakket verdween was wiskunde, om de eenvoudige reden dat ik het niet zo begrepen had op cijfers en getallen. Zeker niet als deze in een bepaalde volgorde geplaatst dienden te worden met de bedoeling een juiste uitkomst te verkrijgen. Dit getallenprobleem blijft mij tot op de dag van vandaag achtervolgen. Ik kan nauwelijks mijn eigen telefoonnummer onthouden, laat staan pincodes en andere in deze moderne tijden belangrijke cijfercombinaties.  Het zien van mijn belastingformulieren volstaat al om een hardnekkig jeukende uitslag te krijgen, maar dit even terzijde. 

 

Dat dit vermoedelijk met de superioriteit van mijn vader, op dit gebied, te maken had zal er wel voor iets tussen zitten. Mijn vader kon namelijk rekenen. Ja, zelfs zonder papiertje, dat het een lieve lust was om dit te zien gebeuren. Lang voor het kassaticket uit de kassa van de supermarkt rolde stond mijn vader al klaar met gepaste munt, tot verbijstering van menig caissière. Met waarschijnlijk als gevolg dat ik toen al dacht dit nooit te kunnen evenaren. Dit was zijn terrein. Dat ik zondagen lang op rekensommen moest zitten zwoegen, die dan door mijn vader gecorrigeerd werden en dat ik dan, na de nodige verwensingen in ontvangst te hebben genomen weer van voor af aan kon beginnen, zal eveneens wel een rol gespeeld hebben. 

 

Dat ik hiermee de kans verkeek om later de beter aangeschreven kunstrichtingen te kunnen volgen, zoals bijvoorbeeld architectuur of reclametekenaar, zou mij verder een worst wezen. Mijn geheime agenda lag toch al vast. Een echte kunstenaar hoefde volgens mij geen wiskundig wonder te zijn. Dat de kwaliteit van mijn middelbare studies alsook de resultaten er vanaf dan aanmerkelijk op vooruit gingen, zonder deze getallensoep te moeten verorberen, kunt u zich vast wel inbeelden. Toch duurde het in totaal vier jaar, eer ik uiteindelijk naar de kunstacademie zou kunnen gaan.

 

Fantastisch vond ik het klinken als zestienjarige, naar Gent. Naar de kunstacademie. Eindelijk! Zo kon ik tevens mijn, voor mij enigszins benauwende,  woonomgeving verlaten om vervolgens het veel interessantere stadsleven te kunnen omarmen. Ik voelde mij hier meteen thuis.  Hier was ik op mijn plaats. Hier zou ik kunstenaar kunnen worden. Mijn verwachtingen waren dan ook hoog gespannen.

 

Een eerste immense teleurstelling was het dan ook toen de lerares schilderen, die toentertijd zelf frisse frivole schilderijen maakte, ons reeds tijdens de eerste lessen op het hart drukte dat wij daar niet zaten om kunstenaar te worden! Wat zullen we nu godver-de-godver meemaken dacht ik. Ik ben hier juist wél naar toe gekomen om kunstenaar te worden. Ik wilde leren schilderen. Zelf kleuren maken, glacis leggen, kortom alle benodigde ingrediënten om het ‘vak’ te leren. Maar neen, in plaats daarvan dienden wij met olieverf op ongeprepareerd papier te werken en vervolgens al onze kleuren met vodden in elkaar te wrijven om aldus allemaal op elkaar gelijkende modderschilderijen te bekomen.

 

 Hier weigerde ik dan ook resoluut aan mee te doe doen. Dat deze lerares mogelijks doelde dat wij ons niet teveel illusies moesten maken omtrent het kunstenaarschap en dat  ze hier eerder  te grote ego’s bedoelde, dan wel het uiteindelijke vakmanschap, durf ik alleen maar te hopen. En dat er zelfs een zekere jaloezie om de hoek kwam kijken omtrent deze nieuwe lichting aankomende kunstenaars, die eventueel een bedreiging zouden kunnen vormen voor haar eigen moeilijk weg te cijferen ego, durf ik al helemaal niet te veronderstellen. Dat dergelijke uitspraken op zulke momenten verstrekkende gevolgen kunnen hebben staat buiten kijf. Wie weet, hoeveel klasgenoten op die momenten reeds de moed hebben laten zakken om ooit nog kunstenaar te worden. 

 

Ik gelukkig niet. Ik was vastberaden. Ik maakte mijn eigen schilderijtjes, experimenteerde met kleur en schilderde op doek. Zo proefde ik voor het eerst de vreugde van het schilderen in dit prille begin. Ik was overigens één van de weinigen die al enige ervaring had met het schilderen met olieverf, omdat ik  thuis ook al geruime tijd bezig was mij de technieken van het olieverf schilderen eigen te maken. Nee, voor mij geen verfmodderworstelen op papier. Ik wilde leren kleurovergangen maken en een zekere frisheid op het doek verkrijgen.

 

Maar we spreken hier over het midden van de jaren zeventig toen ik de academie van Gent bezocht.

Het was volop de periode van de ‘conceptuele kunst’.  Tentoonstellingen werden ‘happenings’ genoemd en ‘fluxus activiteiten’. Schilderijen werden niet meer gemaakt, op enkele uitzonderingen na, wegens  altmodisch. 

 

Ik vond het maar niks om een troep duidelijk flink aangeschoten ‘kunstenaars’ voor de zogenoemde  fluxus bezoekers, in een ongemene serieux , fototoestellen kapot te zien slaan met een hamer. Of hoe weer anderen wc-rollen uitrolden over de galerijvloer, onderwijl twee planken tegen elkaar kloppend, dit alles vergezeld  van vijf bladzijden tekst en uitleg, die onontbeerlijk waren om het geheel een enigszins geloofwaardig karakter te geven. Bij mij werkte dit vooral op de lachspieren, maar zoals reeds vermeld, werd dit door de kunstenaars van dienst uitgevoerd in een serieux, die ik later enkel nog in godsdienstige connotaties heb waargenomen. En zo werden volgens mij de toenmalige toeschouwers, zonder verpinken, besodemieterd waar ze bij stonden. 

 

Als dit het kunstenaarschap behelsde zou ik alsnog mijn plannen wat moeten bijsturen. Dat veel leraren aan de academie, in die tijd, begeesterd waren door deze ‘conceptuele kunst’, resulteerde helaas in techniekarme teken - en schilderlessen. Ik, en gelukkig velen met mij, wilden leren tekenen en schetsen, verf leren mengen of doeken prepareren, maar jammer genoeg  bleven we op onze honger zitten.

 

 In plaats daarvan werden wij geacht om op ruitjespapier en via zogezegd toevalsoefeningen vierkantjes in te vullen. Dit begon verdomme voor mij al veel te veel op wiskunde te gelijken. Dat veel van deze leraren daarenboven een ego  hadden dat zij zelf nauwelijks konden torsen deed hen volharden in deze volgens mij kortzichtige manier van lesgeven. Hoe kon ik nou kunstenaar worden als ze je dat zelfs op een kunstacademie niet konden leren?

 

Gelukkig, de uitzondering op de regel, waren de leraren die gepassioneerd door hun vak, ons van de schoonheid van hun respectievelijke disciplines trachtten deelgenoot te maken. De leraar Nederlands was zo iemand. Reeds op jeugdige leeftijd kon ik genieten van de toen hedendaagse schrijvers, schrijvers die in de woelige jaren zeventig toch nog taboe waren op middelbare scholen. Schrijvers als Jan Wolkers bijvoorbeeld. Zelf een schrijver met een hoog kunstenaarsgehalte maar ook de Zeeuws-Vlaamse schrijver Jacques Hamelinck  kon op mijn waardering rekenen. Tot groot ongenoegen van humanioraleraren die zelf leden aan schoolmoeheid. Veel hoger scoorde je bij hen als je ‘Bartje’ las, of ‘Sil de strandjutter’.

 

 ‘Sil de strandhufter’ , noemden wij hem wegens een al lang verstreken versheidsdatum. Wat een openbaring dus toen ik, op de kunstacademie in Gent, een leraar Nederlands had die net de eerder vernoemde schrijvers in zijn lessenpakket had zitten en mij aldus haarfijn kon uitleggen waarom ik hier zo’n bewondering voor had en tevens door zijn grondige kennis van de materie mij dingen liet inzien die ik tot dan toe in de verste verte niet bevroede. Bij deze dank, meneer Dequanck.

 

Ook de leraar kunstgeschiedenis  was iemand die zijn naturel kon behouden tussen al deze puberende aanstormende kunstenaars. Het enige probleem voor mij was dat deze man, een op zijn zachtst uitgedrukt, nogal sterk West-Vlaams accent koesterde. Hetgeen voor mij, als Nederlander, bij wijle schier onverstaanbaar was. Zo diende ik zelf maar te kiezen of goud nu wel het gegeerde edelmetaal was, dan wel het tot planken verwerkte materiaal van een boom. Het is dan ook mede dankzij het veelvuldig gebruik van de episcoop, een apparaat waar men prenten uit boeken mee op de muur kon projecteren, dat vele West Vlaamse woorden voor mij duidelijk werden omdat het gesproken woord onmiddellijk geïllustreerd werd met bijbehorend beeldmateriaal.

Dat deze man tot op heden een begeesterd kunstenaar is  kon dan ook bijna niet anders en zal derhalve niemand  verwonderen.

 

De leraar Engels had ook geen enkele behoefte om ons te begraven onder loodzware teksten. In plaats daarvan liet hij ons kennis maken met een nummer  als ‘A day in the life’, van de elpee ‘Sergeant Peppers’ van The Beatles, deels omdat hij zelf nog een jonge snaak was, maar evenzeer, om ons de dieper liggende betekenis van ‘zomaar’ popmuziek  te leren doorgronden. Het was hij die ons opmerkzaam maakte dat  het ‘space drums’  geluid  van Ringo Starr, aan de basis lag van latere so called psychedelische groepen  als Pink Floyd. Deze toen nog jonge leraar, nu bekend als de schrijver-dichter Stefan Hertmans, om maar eens aan name dropping te doen, waren veel meer mede bepalend voor hoe ik het kunstenaarschap wilde beleven, dan de zogezegde ‘vakleraren’.

 

Dat ook het ‘kotleven’ in de grote stad inspirerend werkten op het nakende kunstenaarschap zal niemand verbazen. Nachten lang konden wij lullen, onderwijl onze lichamen vullend met geestrijke dranken. De toekomst lachte ons immers toe  want wij zouden de nieuwe generatie kunstenaars  worden. Ik schrijf even in de wij-vorm omdat dit romantische toekomstbeeld van het kunstenaarschap toen een gemeenschappelijke factor was. Dat deze idylle abrupt een halt hield, onmiddellijk na het beëindigen van de studie, kon niemand toen reeds vermoeden.

 

 En dat je heden ten dage nog steeds oeverloos moet kunnen lullen om als kunstenaar enigszins aan de bak te komen, blijkt maar eens te meer, wanneer ik sommige heren kunstenaars zich in allerlei vreemde bochten zie kronkelen om eenvoudige dingen toch op een zo ingewikkeld mogelijke manier  trachten uit te leggen en op deze wijze om enige geloofwaardigheid smeken.

 

Hans

 

 

 

  

Corrigeer

Auto's in de kijker

Vastgoed

Jobs in de regio