Onderzoekers telden op elke honderd spelende kinderen slechts 37 meisjes

Meisjes van tien spelen amper nog buiten: “Ouders vertrouwen het minder”

Meisjes van tien spelen amper nog buiten: “Ouders vertrouwen het minder”

Foto: Shutterstock

Slechts 37 procent van de kinderen die buiten spelen zijn meisjes. Vooral meisjes van 9 tot 11 jaar zijn amper te vinden op speeltuinen, sportterreinen of pleintjes. Dat blijkt uit het buitenspeelonderzoek van expertisecentrum Kind & Samenleving. “Ouders vertrouwen het minder om hun dochters buiten te laten spelen”, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere.

Precies 1.577 kinderen telden ze, de onderzoekers van Kind & Samenleving. Tijdens de paas- en zomervakantie van 2019 trokken ze naar zeven uiteenlopende woonwijken om te turven hoeveel kinderen er ravotten in de publieke ruimte: op straten, pleintjes, groene zones, speelpleinen en sportvelden.

Het expertisecentrum publiceerde nu de eerste cijfers en daaruit blijkt dat op elke honderd kinderen er slechts 37 meisjes waren. Opvallend, want uit het vorige onderzoek in 2008 was dat nog 45 procent. De onderzoekers willen nog geen grote verklaringen geven, omdat het onderzoek pas bij de start van de paasvakantie bekendgemaakt wordt.

Maar volgens pedagoog Pedro De Bruyckere (Arteveldehogeschool) komt het lage aandeel meisjes overeen met internationaal onderzoek. “In de meeste landen zien we dat jongens meer buiten bewegen dan meisjes”, zegt hij. “De belangrijkste reden is de schrik die ouders voelen om hun dochters buiten te laten spelen. In meer verstedelijkte wijken zien we dat effect nog meer. Dan hebben ouders nog minder vertrouwen in de omgeving en in wat er kan gebeuren.”

Dat zou meteen kunnen verklaren waarom het aandeel meisjes dat in georganiseerd verband speelt, zoals bij de jeugdbeweging of op sportkamp, veel hoger lag. Dan is er immers altijd toezicht. In die gevallen telden de onderzoekers 45 procent meisjes.

Sjotten

Opvallend: terwijl jongens het meest buiten spelen tussen 9 en 11 jaar, is er voor meisjes net een grote daling op die leeftijd. Mogelijk omdat de schrik dan er het meeste inzit, maar een duidelijke verklaring kan ook De Bruyckere niet geven. “Er is ook nooit één verklaring”, zegt hij. “We weten ook dat jongens minder nodig hebben. Geef ze een bal en ze beginnen te sjotten. Meisjes hebben een diverser aanbod nodig.” Mogelijk heeft het dus ook met de inrichting van de speelplekken te maken.

De onderzoekers keken ook naar de manier waarop kinderen speelden. Zo bleek dat meisjes over het algemeen in kleinere groepjes spelen dan jongens, en dat ze meer ‘sociaal’ spelen. Dat komt neer op meer gebabbel, gecombineerd met laagintensief spel. Ze gaan evenveel klimmen, schommelen of balanceren, maar doen veel minder mee aan spelen die aan duidelijke regels gebonden zijn, zoals voetbal of tikkertje. Slechts één op de vijf kinderen die zo speelt is een meisje, en dan gaat het bij hen vaker om bijvoorbeeld verstoppertje dan om sport.

Kind & Samenleving zal concrete aanbevelingen doen aan de overheden op basis van dit onderzoek, maar ook daarvoor is het wachten tot de paasvakantie.

Corrigeer

NIEUWS