Corrigeer
camera closecorrect down eyefacebook Het Nieuwsblad nextprevquote share twitter video

  

Lotte Debrouwere

Carnavalsnacht

Er staat een paard in de gang. Bij buurvrouw Jansen. Het paard staat ook al drie dagen in mijn hoofd. Indoctrinatie door dat carnaval. In het dorp is het van dat. “Het feest kan beginnen, want wij zijn binnen.” Polonaise en pinten. En een heuse carnavalstoet. Als hummel om in je broek van te doen. Er werd toen nog met afgekapte ‘kiekenpoten’ naar je kop gegooid.

Later liep ik er zelf in mee, met de jeugdbeweging. Verkleed als triestige tomaat, als trein, als konijn. En nog later ging ik boemelen omdat het zo hoorde. “Het hoogtepunt van het jaar.” Je van café naar café lazarus drinken onder het motto van jazztrompetist Chad McCullough: “What I do when I’m black out drunk, is none of my business.” Kortom, ik was niet verantwoordelijk voor mijn daden tijdens een carnavalsnacht.

Ooit strompelde ik met twee vriendinnen van café ’t Katje naar café Olympia om dan aan te komen in café de Ponderosa, waar echte cowboys zaten en waar we voor de rest van het jaar nooit binnen durfden te stappen. We waren verkleed als verkeerslicht. Ik helemaal in het groen, de ander in het oranje en nog een ander in het rood. Allemaal samen in een grote, zwarte kartonnen doos. “Wat zijn jullie?”, vroeg een cowboy. “Een verkeerslicht”, piepten we en we zopen de nacht omver.

Toen de ochtend die lege nacht beëindigde, marcheerde ik moedig als enige overblijvende van het verkeerslicht, met afgebladderd karton rond mijn lijf, nog naar café De Middenstand. Op zoek naar iets wat ik niet zou vinden. “Had ik maar iemand om van te houden. Twee zachte armen om me heen. Die me altijd beschermen zouden.” Ik slowde met een man verkleed als sanseveria. “Ge ziet er goed uit”, lalde de plant tegen mijn groene verkeerslichtkop. Ik voelde me zo verdomd alleen.