Corrigeer
camera closecorrect down eyefacebook Het Nieuwsblad nextprevquote share twitter video

  

Zaterdag 4 en zondag 5 april: “Ik stond erbij toen een patiënt zijn potentieel laatste telefoontje naar huis deed”

“Het is de eerste keer dat ik overdag acht of negen uur heb geslapen. Teken dat ik mijn slaap echt wel nodig heb om rond te geraken. Vrijdagnacht hadden we een patiënt waarbij we Covid-19 vermoedden. Zijn toestand was kritiek. Ik ben Bruno, en ik ga vannacht voor u zorgen, zei ik. Ik probeer mijzelf altijd voor te stellen, zodat je meer wordt dan een pak. Onze patiënten zien de hele tijd marsmannetjes rondlopen, dan heb je deugd aan zoiets. Hij was nog bij bewustzijn, maar kon niet veel zeggen, hij had hoge zuurstofnood. En het enige wat hij er dan toch uit kreeg was: Merci. Je voelt de dankbaarheid heel hard.”

“Maar het blijft confronterend. Ik heb iemand moeten uitleggen van kijk, het is heel serieus, er is een kans dat we je aan het beademingstoestel moeten leggen. Niemand op leeftijd, een man middenin zijn leven. Ik stond in de kamer terwijl hij potentieel zijn laatste telefoontje naar huis deed. De angst die je dan voelt, die emotionele factor, dat zorgt ervoor dat het besef er ineens weer is: Ow. Op den duur raak je gewend aan alles, tot er zoiets gebeurt. Dan weet je weer dat onze rol niet te onderschatten is.”

“Net zoals de teaminspanning zo ongelofelijk belangrijk blijft. De eerste nacht was bijvoorbeeld heel hectisch. Een collega heeft mij toen voorgesteld om te wisselen, zodat ik even op een kalmer stuk van de intensieve kon gaan staan. Een andere arts heeft een kaartje achtergelaten met wat paaseiers bij. Die ondersteuning doet zoveel. Zaterdagnacht was de eerste iets rustigere nacht, toen hebben we onderling even kunnen babbelen. Vooral over het goeie weer. Dat het de moment is om een barbecue te doen. Wel, ik heb ’s middags een goed stukje vlees opgelegd in de zon. Maakt een serieus verschil, als je een week lang alleen de nacht ziet.”