175 jaar vooruitgang, industrialisering, twee wereldoorlogen en vijf generaties Saken-Coburg veranderden de Belg

We zijn gezonder, rijker en wellicht...gelukkiger

We zijn gezonder, rijker en wellicht...gelukkiger
De moderne Belg, twee eeuwen lang opgestuwd door de vaart der volkeren, heeft nog weinig gemeen met die van anno 1830. En gelukkig maar. De Belg van nu is beter af dan zijn voorvader uit 1830. Het begin van de 19de eeuw was een periode van uitbuiting, armoede, honger, ziektes en hard labeur. Maar was het alleen maar kommer en kwel? We nemen een duik in het dagelijkse leven van 175 jaar geleden, gaan na wat de kersverse Belgen aten, dronken, droegen, deden en dachten.
Bevolking van België

Ons land kent in het begin van de vorige eeuw net als alle buurlanden een explosieve bevolkingsgroei. Tussen 1750 en 1850 verdubbelt het aantal Belgen van twee miljoen tot vier miljoen. Het huidige België telt ruimschoots 10,2 miljoen inwoners.

Levensverwachting

De gemiddelde levensverwachting bedraagt momenteel voor vrouwen 81,6 jaar en bij mannen 75,6 jaar. Rond 1830 werden vrouwen gemiddeld 39 jaar, mannen 37. Er zijn veel redenen waarom onze voorvaderen er vroegtijdig het bijltje bij neerleggen: slechte, ongezonde voeding, hard labeur, gebrek aan medische zorgen, de slechte hygiëne en de hoge kindersterfte

Loon naar werk

Een goedverdienende arbeider uit 1830 strijkt zo'n elf frank per week op. Net genoeg om met zijn gezin rond te komen. Door de crisis na de Belgische onafhankelijkheid vallen de lonen enorm terug. Een wever in de Gentse textielfabrieken verdient in 1830 nog twee frank per dag. Vijf jaar later heeft hij amper nog 62 centiemen in zijn loonzakje. Landarbeiders op het platteland verdienen minder, maar krijgen vaak gratis kost en inwoon.

Levensduurte

Tachtig tot zelfs vijfentachtig procent van zijn loon besteedt de Belgische loonwerker in 1830 aan eten en drinken. De rest gaat hoofdzakelijk op aan huishuur en kleding. Sparen is onmogelijk. Anno 2005 spendeert het gemiddelde gezin 10 tot 15 procent aan voeding.

Huisvesting

De steden barsten in de 19de eeuw door de demografische explosie uit hun voegen. Arbeiders leven op elkaar gepakt in krotten en beluiken. Er ontstaan echte arbeiderscités zoals de Bataviawijk op de Blandijnberg in Gent. De levensomstandigheden zijn ellendig. Hele gezinnen wonen in een vochtig kamertje zonder enig comfort. Er is in het beste geval één pomp voor 100 mensen. Tien of meer gezinnen delen één toilet. De krotten zijn vaak in handen van huisjesmelkers. Het contrast met de statige luxueuze burgerhuizen die de burgerij bouwt langs ruime pleinen in de stad is groot. Ook op het platteland is het verschil groot tussen de statige boerderijen van de herenboeren en de veredelde hutten van de kleine pachters.

Onderwijs

Slechts een fractie van de Belgische jeugd gaat naar school. Het overgrote deel van de bevolking in het nieuwe België kan niet lezen of schrijven. Huwelijksregisters tonen hoe de meeste mensen tekenen met een kruisje of hun naam in primitieven hanenpoten neerschrijven. Het is pas na 1870 dat het besef groeit dat scholing van belang is. Er bestaan zondagsscholen in het begin van de 19de eeuw, maar die dienen uitsluitend om de kinderen voor te bereiden op de communie en om hen godsvrees in te peperen.

Epidemieën

Tot diep in de 19de eeuw wordt België nog getroffen door epidemieën die op grote schaal dodelijke slachtoffers eisen. Tussen 1831 en 1832 sterven 7.984 mensen tijdens een cholera-epidemie. De ziekte slaat vooral in de dichtbewoonde volkswijken in de steden hard toe. Het volslagen gebrek aan hygiëne en het feit dat hele gezinnen op elkaar gepakt wonen, maken van de beluiken en de nauwe steegjes ideale broedplaatsen voor de ziektekiemen. Cholera en tyfus houden nadien ook lelijk huis tijdens de hongerjaren 1846 en 1847.

Verkiezingen

België en zijn liberale grondwet gelden in het begin van de 19de eeuw als de meest vooruitstrevende van het hele Europese continent. Toch is echte democratie in het kersverse land nog veraf. Nog geen één procent van de Belgen heeft in 1830 stemrecht. Door het cijnskiesrecht komen slechts 46.099 mannen in aanmerking om de eerste vertegenwoordigers voor het Nationaal Congres te kiezen. Vrouwen worden niet bekwaam geacht om over het algemeen belang te kunnen oordelen.

Brussel

De Belgische onafhankelijkheid maakt van het tot dan redelijk bescheiden Brussel plots een belangrijke stad. In 1830 telt de stad nauwelijks 50.000 inwoners, in 1875 is dat al opgelopen tot 250.000. Brussel wordt niet enkel de hoofdstad van het nieuwe België, maar ook het hoofdkwartier van de haute finance. Steenrijke financiers en (Waalse) industriëlen ontmoeten er elkaar in de salons. De voertaal is Frans. Wie in de 19de eeuw in Brussel iets wil betekenen moet willens nillens verfransen.

Lichaamslengte

De crisis zorgt ervoor dat de Belg krimpt. Onderzoek toont dat de gemiddelde lichaamslengte tussen 1820 en 1840 terugvalt van 1,64 meter naar 1,58 meter. Deze cijfers zijn gebaseerd op gegevens van dienstplichtigen (miliciens) uit Zwevegem in Zuidwest-Vlaanderen. De daling doet zich vooral voor bij dagloners, textielarbeiders en dienstboden, mensen kortom die niet voldoende geld hebben om gezond te eten.

Eten

Een volwassene eet in die tijd gemakkelijk 1,5 kilo gekookte aardappelen per dag. Door de voedselschaarste worden aardappelen massaal geteeld. De gewone man eet bruin brood. Wit brood was enkel voor de rijken. Dure boter staat zelden op tafel. Af en toe is er reuzel. Verse groenten zijn niet besteed aan onze voorvaderen. Ze vullen hun aardappelmaaltijd slechts zelden aan met groenten, ajuin, erwten of bonen. In de betere kringen worden asperges, witlof of rodekool geserveerd. Vlees verschijnt slecht zeer uitzonderlijk op de tafel van de doorsnee Belg om de eenvoudige reden dat het haast onbetaalbaar is. Uitzonderingen kunnen zondagen en feestdagen zijn als er spek of pensen worden geserveerd bij de aardappelen. Op het menu van de rijke burgerij en de adel is vlees wél prominent aanwezig. Rundvlees, maar ook wild en gevogelte. Varkensvlees eten ze in de betere kringen niet. Het varken geldt er als een vies en onrein dier.

Een toetje wordt enkel door de betere burgerij en de aristocratie genuttigd. Suiker, laat staan chocolade is voor de gewone Belg niet te betalen. Reden te meer voor de welstellende klasse om zich aan zoetigheden te buiten te gaan. Taart, soms imposante bouwwerken (prent), zijn voor de welstellende klasse een statussymbool.

Drinken

De gewone man heeft geen geld voor koffie en moet het stellen met cichorei of hij drinkt karnemelk bij zijn eten. Koffie is voorbehouden voor de chique salons. Onze voorvaderen overklassen ons als bierdrinkers. De Belg van 1830 drinkt 180 liter bier per jaar. De moderne Belg haalt tegenwoordig nog amper een debiet van 98 liter per jaar. Wat niet wil zeggen dat 175 jaar geleden iedereen aan de fles zat. ,,Bier werd gedronken omdat het goedkoop, voorhanden én gezonder dan water was. Er was in die tijd nog lang geen proper mineraalwater'', zegt Yves Segers. ,,Het bier van toen was bovendien veel minder sterk dan nu. Als ze echt alcohol wilden drinken, dan kozen ze eerder voor goedkope jenever. Dat was ideaal om even de dagelijkse ellende te vergeten.''

Corrigeer

MEER NIEUWS