...in de fabriek

...in de fabriek

Antje De Boeck in de film Daens, een schitterend document over het leven in de 19de eeuw.

Het is vijf uur als de klok luidt. De zon komt net kijken boven de stad. Het is het teken voor de arbeiders om op te staan en naar de fabriek te trekken voor minstens tien uur hard labeur. Het leven van onze voorvaderen in 1830 is hard en wordt nog harder.

Iedere fabriek in de stad heeft zijn eigen klok, toeter of trommel waarmee het zijn arbeiders wekt. Elke dag als de zon opkomt, wordt het teken gegeven. Elke ochtend is het een kakofonie van klokkengelui, gebons en geschreeuw.

In het dompige en benepen kamertje onder het dak is het nog aardedonker als de arbeider uit zijn strozak kruipt. Voorzichtig zet hij zijn voeten naast de kinderen die dicht bij elkaar liggen te slapen. Zijn oudste zoons staan mee op. Beneden eten ze een bord aardappelen met brood en dan vertrekken ze samen naar de fabriek.

De arbeider en zijn zoons moeten langer en harder werken dan ooit om rond te komen. Het leven na de revolutie is duurder geworden. Om te overleven zet de arbeider ook zijn vrouw en zelfs zijn kinderen van vijf, zes jaar in de fabriek aan het werk.

De shiften in de fabriek zijn langer geworden, de pauzes korter. Historicus Peter Scholliers van de Vrije Universiteit Brussel: ,,De arbeiders werkten doorgaans twee uur na elkaar en hadden dan een kwartiertje rust om naar toilet te gaan of even uit te blazen. Tegen de middag hadden ze opnieuw pauze. Dan kwam de vrouw of een van de kinderen langs met het middageten. Ze hadden een half uur om hun eten binnen te spelen, dan startte de shift weer. Er werd doorgaans gewerkt tot het donker werd.''

Sociale zekerheid bestaat in 1830 niet. Zieken-, pensioen- en werklozenkassen duiken niet op voor 1870, en ook dan nog slechts marginaal. Wie ziek of oud is, of een ongeval krijgt, is afgeschreven en mag gaan bedelen. Hij moet zien te overleven dankzij aalmoezen en giften van de armenzorg. Steden leggen armenlijsten aan van mensen die recht hebben op steun. Ze delen soep en brood uit. Tijdens de crisisjaren 1840-1850 staat 32 procent van de Brusselse bevolking op de armenlijst.

Tegen zes uur 's avonds wordt het duister. Tijd voor de arbeiders om naar huis te gaan. Vrouw en dochters hebben weer een pot aardappelen op tafel gezet met brood en een pul bier. Als vader na het eten naar het staminee trekt voor meer bier en jenever, kletst moeder op de stoep met de buurvrouwen. De kinderen spelen op straat. ,,Een georganiseerd ontspanningsleven voor de lagere klasse bestond niet. Een arbeider had geen geld om naar het theater of de opera te gaan. Enkel de grote feesten zorgden voor echt vertier. De kermissen of wijkfeesten waren hoogdagen voor de arbeiders.''

Het arbeidersgezin kruipt vroeg in bed. ,,Er werd 's avonds niet geleefd. Alles gebeurde overdag, ook het feesten. Openbare verlichting bestond nog niet zodat het in de stad 's nachts pikdonker was. Mensen die nog laat door de straten dwaalden, waren per definitie louche.''

Vakantie kennen de arbeiders niet. Enkel op de dag des heren wordt gerust. Veel mannen duiken na de zondagsmis het staminee in om de ellende in jenever te verdrinken. Maar op maandag luidt de fabrieksklok weer bij het krieken van de dag.

Corrigeer

MEER NIEUWS