Afkomst bepaalt toekomst

Je toekomst blijkt sterk af te hangen van de plaats waar je wieg staat.





Op 18jaar studeren nog acht op de tien jongeren. Van hen zit bijna een kwart nog in het middelbaar: ze hebben dus een jaartje overgedaan. Op 19jaar studeert nog zeven op de tien, en zo daalt het elk jaar verder. Vanaf de leeftijd van 21jaar studeren meer jongeren niet dan wel.

Hogere studies aanvatten of niet blijkt sterk bepaald te worden door het nest waarin je opgroeit. De sociale ongelijkheid installeert zich dus vanaf de wieg. Jongeren met hoger opgeleide of allebei werkende ouders hebben meer kans om aan de hogeschool of de universiteit te gaan studeren.

Jongeren van wie beide ouders geen hogere opleiding hebben genoten, stoppen in meer dan driekwart van de gevallen op hun 18jaar met studeren. Jongeren van wie beide ouders werkloos zijn, studeren maar in twee op de tien gevallen verder.

Hogeschoolstudenten zitten vaker niet dan wel op kot. Bij de universiteitsstudenten is de verhouding omgekeerd, wat kan verklaren waarom kinderen van laagopgeleiden en werklozen niet zo vaak naar de unief gaan: de kosten voor het op kamers gaan nemen een extra grote hap uit het gezinsbudget.

Corrigeer

IN HET NIEUWS

Verkiezingen in jouw gemeente:

POPULAIRE VIDEO'S

Het beste van Enkel voor abonnees