Assenede reconstrueert grensversperring die in WOI 1.500 levens kostte

'Den dodendraad' komt terug

ASSENEDE / BOEKHOUTE / ESSEN / SMEERMAAS / VROENHOVEN / KOEWACHT / SINT-LAUREINS - Assenede wil een stukje van de Belgisch-Nederlandse grens in Boekhoute hermetisch afsluiten met een elektrische draadversperring. Niet uit Hollanderhaat, maar als reconstructie van het IJzeren Gordijn dat België en Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog scheidde. Om vluchtelingen, verzetsstrijders, spionnen, boodschappers en deserteurs af te schrikken, trokken de Duitsers een 180 km lang hek op dat onder hoogspanning stond. Naar schatting 1.000 à 1.500 mensen lieten er het leven.



Assenede en de Europese Unie trekken elk zo'n 25.000 euro uit om in Boekhoute een schakelhuisje en enkele honderden meters van het moordende IJzeren Gordijn weer op te bouwen. Den electrieken draad, den dodendraad of kortweg den draad moest in de Eerste Wereldoorlog de vluchtwegen vanuit het bezette België naar het neutrale Nederland afsnijden.

'De Duitsers zaten er zwaar mee verveeld dat dagelijks honderden mensen de grens overstaken, vooral voor spionage en verzetsdaden', zegt de Antwerpse professor Alex Vanneste. 'In december 1914 alleen al trokken zowat 5.000 jongeren de grens over om zich langs Vlissingen, Folkestone en Dieppe bij de geallieerde legers aan het IJzerfront te voegen. Bovendien werd vanuit Vlaanderen voortdurend militair-strategische informatie gesmokkeld naar de Britse inlichtingendiensten in Nederland. Ook de duizenden brieven en postpakketten die door familieleden via Nederland naar het front verstuurd werden, waren een doorn in het oog van de Duitsers. En dan waren er ook nog grenssmokkelaars en de Duitse deserteurs die naar Nederland vluchtten...'

'Om dat grensverkeer onmogelijk te maken trokken de Duitsers tussen april en augustus 1915 op Belgisch grondgebied een elektrische versperring op vanaf het drielandenpunt in Vaals tot aan Cadzand aan de Belgische kust. Ze bestond eigenlijk uit drie evenwijdige draadafsluitingen, waarvan de middelste onder stroom stond: tussen metershoge palen werd om de 20 of 30 cm een gladde draad gespannen en enkel de Duitsers wisten welke van die draden onder een spanning van 2.000 volt stonden. Als ze al niet allemaal onder stroom stonden.'

'Omdat het terrein niet altijd even geschikt was, werd de versperring soms een eindje landinwaarts gebouwd waardoor een stuk niemandsland ontstond tussen de Nederlandse grens en de dodendraad. Dat was onder meer het geval in Essen, Smeermaas, Vroenhoven, Koewacht en in Sint-Laureins. Het kiekenskot noemden ze dat in Essen en in Sint-Laureins heette dat Klein België. Voor de bewoners was dat een drama: families werden gescheiden, geliefden konden elkaar niet meer ontmoeten, handelaars waren afgesneden van hun klanten.'

'In de parochie Koewacht, die deels in België en deels in Nederland lag, ontstond een absurde situatie. De kerk stond in België, maar het kerkhof lag in Nederland. Als een Vlaamse parochiaan overleed, werd zijn lichaam na de rouwdienst onder begeleiding van een Duitse officier naar de Nederlandse grens gebracht, maar de familie mocht de teraardebestelling niet bijwonen.'

'Veel slachtoffers zijn gevallen uit onwetendheid', zegt professor Vanneste. 'Elektriciteit was toen nog nieuw en de bevolking was niet vertrouwd met de gevaren.'

'De eenvoudigste manier om voorbij de draad te geraken was grenswachters om te kopen: voor wat geld of een hesp verklapten ze welke draden onder spanning stonden. Of ze schakelden de stroom even uit. Kregen ze geen medewerking, dan zat er voor de kandidaat-vluchtelingen niets anders op dan hun leven te wagen.'

'In het begin probeerden ze dat vooral met greppels onder de draad of met dubbele ladders over de draad. Of ze waagden het zelfs als polsstokspringers. Nog anderen gooiden een koperen draad tegen de versperring, waarvan de uiteinden in een emmer water hingen om een kortsluiting te veroorzaken.'

'Gaandeweg knutselden de grensgangers eenvoudige constructies in elkaar die het risico op elektrocutie sterk verminderden. Een houten raam bijvoorbeeld, dat ze tussen de draden spanden en waar ze dan doorheen kropen. Of een houten fietsvelg of een ton die ze tussen of onder de draden klemden. Anderen bonden zelfs porseleinen borden onder de knieën en de ellebogen om zo - goed geïsoleerd - onder de draadversperring te kruipen.

'Sommige waaghalzen - de zogenaamde passeurs - waren zeer bedreven in die gevaarlijke sport en brachten tegen betaling meermaals per dag mensen, boodschappen of smokkelwaar over. De Duitsers waren trouwens ook niet van gisteren: ze wisten goed genoeg dat je geen ladders, dekens of tonnen nodig had om het veld te bewerken. Wie in de buurt van de versperring kwam met dat gerei, werd zonder pardon neergeschoten.'

'Ook het dragen van gummilaarzen was verboden, want tegen het einde van de oorlog was men er achter gekomen dat rubber een perfecte isolator was.'

Het laatste slachtoffer van de draad viel wellicht daags na de wapenstilstand op 12 november 1918. Landbouwerszoon Jan Van Looveren kon niet vlug genoeg thuis zijn om zijn ouders het goeie nieuws te melden dat hij in Nederland een boerderij gekocht had. Het gerucht ging toen al dat de versperring niet langer onder spanning stond, en dat werd Van Looveren noodlottig.

Professor Vanneste: 'Enkele weken na de wapenstilstand bleef er van de afsluiting weinig meer over. Het materiaal werd door de gemeentebesturen verkocht, door de landbouwers ingepikt om hun weiden af te palen, of door de bevolking op brandstapels gegooid. Maar wie goed zoekt kan nog altijd restanten vinden: schalies van de daken van de schakelhuisjes, scherven porselein van de isolatoren en stukken hout met kogelgaten.'



Corrigeer

IN HET NIEUWS

Verkiezingen in jouw gemeente:

POPULAIRE VIDEO'S

Het beste van Enkel voor abonnees