Tentoonstelling over openbare toiletten in Brussel

Het grote belang van het kleine kamertje

BRUSSEL -
Voor een stad waarvan de bekendste inwoner een urinerend ventje is, is Brussel wel erg karig bedeeld met openbare toiletten. De stad dook in archieven en vond er een schat aan documentatie over de ontlasting van haar inwoners.

Het centrum van de hoofdstad heeft op dit moment welgeteld één dienstdoend openbaar urinoir, dat tegen de Sint-Katelijnekerk, aan de Vismarkt. Vooral voor toeristen is dat gebrek aan publieke voorzieningen hinderlijk, merkten de suppoosten van het Museum van de stad (Broodhuis). Het krijgt geregeld bezoekers over de vloer wier interesse in de eerste plaats uitgaat naar het kleinste kamertje in het gebouw.

Nu de toiletten er gerenoveerd zijn, besloot het museum daar een tentoonstelling aan te koppelen. Historica Claire Billen en geograaf Jean-Michel Decroly verdeelden hun vondsten over twee zalen op de benedenverdieping. Geen slecht gekozen plek: volgens een rekening van het domein van Brussel uit het begin van de vijftiende eeuw stonden er in het Broodhuis, waar het museum huist, vaten om de pisse op te vangen. De urine van ambtenaren en passanten werd dan, ten voordele van de hertog, verkocht als middel om wol te ontvetten. Een constante door De kleinste kamertjes in de grootstad is dat de geschiedenis van het toilet niet op zich staat, ze weerspiegelt de mentaliteitsgeschiedenis. Hygiëne is in de loop van de geschiedenis een duidelijk almaar belangrijker geworden.


Ontlasting een ernstige zaak
Ontlasting is een ernstige zaak. Vanaf het einde van de veertiende eeuw was er zelfs een ambtenaar (,de moddermeier') mee belast.

Het was zijn taak om de reinheid in de stad te bewaken. Hij droeg ook de verantwoordelijkheid voor de gemeynde heymelichheit, het publieke toilet, dat zich bevond waar nu het Beursgebouw staat.

De geschiedenis van de ontlasting is rijk aan variatie.

  • Van privétoiletten was in de 14de eeuw nog geen sprake; over het algemeen deed iedereen zijn gevoeg waar het hem uitkwam. Een smalle steeg werd al eens gedegradeerd tot een voorloper van de beerput. Pas aan het einde van de Middeleeuwen begonnen de stadsbewoners zich wat ongemakkelijk te voelen bij die publieke ontlasting, met de bijhorende stank en ziekten als de pest.
  • De middelen om de hygiëne in de stad te bevorderen, bleven lang beperkt tot fonteintjes tegen de stank en mestbakken (waar men de afval verzamelde) buiten het stadscentrum.
  • Pas in de achttiende eeuw kwam er echt schot in de zaak: voor de rijken bedachten meer verlichte architecten modellen met een klep en een voorloper van onze spoeling.
  • Op fatsoenlijke voorzieningen voor het gewone volk was het wachten tot de negentiende eeuw, wanneer de burgerij stilaan de heersende waarden bepaalde. Openbare toiletten werden, naar het voorbeeld van Parijs, een onmisbaar onderdeel van stadsontwikkeling.
  • In 1828 vaardigde het stadsbestuur al het eerste verbod op openbaar urineren uit. Het bleef dode letter; pas toen in 1845 de eerste urinoirs geïnstalleerd werden, werd het een min of meer redelijke eis.
  • In 1889 telde Brussel meer dan 220 urinoirs. Maar met de democratisering van het privétoilet vergat het stadsbestuur voor het openbare sanitair te zorgen. In 1945 waren er nog 57 urinoirs over, in 1950 nog 30, gedoemd tot verval.
  • De stad belooft er opnieuw te installeren.
  • 'De Kleinste Kamertjes in de Grootstad', tot 18 augustus alle dagen van 10 tot 17 uur. Museum van de Stad Brussel, Broodhuis, Grote Markt. Toegang: 3 euro. Inlichtingen op 02/279 43 50.
  • Corrigeer

    IN HET NIEUWS

    Verkiezingen in jouw gemeente:

    POPULAIRE VIDEO'S

    Het beste van Enkel voor abonnees