Onze reporter Paul Demeyer zag de hoofdstad verloederen

Ik woon 20 jaar in Brussel, nu denk ik aan verhuizen

Foto: © 'cia Jansen

BRUSSEL - Mijn vrouw is in de gang aangerand. In ons appartement is tweemaal ingebroken. Vier verdiepingen hoger vocht een drugsbende een oorlog uit. Daklozen doen hun behoefte in onze portiek; de voordeur wordt constant opengebroken. En dan moeten we nog de straat op. Ik woon twintig jaar in Brussel en denk voor het eerst aan verhuizen. Paul Demeyer

Ik hou van het leven dat oude Franse films evoceren. Wandelen langs boulevards, krantje kopen en ontbijten in koffiehuizen, altijd mensen zien en horen. Daarvoor ben ik twintig jaar geleden van Gent naar Brussel verhuisd. Naar de Grétrystraat11, tussen de beurs en het DeBrouckèreplein. Dit is hartje Brussel. Geen achterbuurt.

In die beginjaren was ik cultuurreporter op de krant, dus 'savonds veel weg. Op een keer maakte mijn vrouw Marian alleen een avondwandeling. Ze werd gevolgd door een man. Hij glipte mee binnen in de hal en siste ‘Tu veux que je te frappe, hein... sale pute...' Hij sloeg en schopte haar, tot Marian onder de rij brievenbussen wegkroop. De volgende dag schreef ze zich in voor een cursus street fight. We oefenden thuis. Ik moest haar aanvallen met een mes of doen alsof ik haar zou wurgen. De overburen zagen het en belden de politie.

De politie was dan al vaste klant in de Grétrystraat11. Een week voordien was er geroep en getier geweest. Op de vijfde verdieping werd iemand uit het raam geduwd met een mes op de keel. Door het kijkgat van de deur zagen we een rij jonge gastjes met een getrokken mes naar boven gaan. Dit zou slecht aflopen. We belden de politie. De straat stond meteen vol overvalwagens.

Geen openbare toiletten

Dat was allicht de enige avond dat er niet tegen de gevels in onze straat is gepist of gepoept. Telkens als we 'savonds door het raam kijken, staat iemand zijn behoefte te doen. Ik ben al vaak op zo'n plasser afgestapt. Altijd hebben ze hetzelfde excuus: ‘Ik heb een ziekte en mag het van de dokter niet ophouden.' Eén keer moest ik een vuistslag ontwijken omdat de plasser vond dat un Flamand doit fermer sa guelle à Bruxelles.

Eigenlijk moet je zo'n plasser naar een openbaar toilet verwijzen. Maar Brussel heeft er geen. Tussen 2006 en 2009 was ik reporter-Brussel voor deze krant. Even lang discussieerde de gemeenteraad over openbare toiletten. Nu zouden ze er toch mee beginnen.

Hondentoiletten zijn er wel. Maar blijkbaar niet genoeg voor het leger honden dat door de hoofdstad zwerft als compagnon van een dakloze. Om de hoek bij ons is een Delhaize. Omdat het hondeneten er goedkoop is, hangen daar constant bendes rond met honden. Ze vallen voorbijgangers lastig en gooien hun afval rond de boompjes.

Als stadsreporter interpelleerde ik burgemeester Freddy Thielemans daarover. Zijn antwoord was laconiek: ‘Wanneer mensen op straat willen leven, is dat hun persoonlijke keuze. Ik kom daar niet in tussenbeide. Bij overlast moeten de buurtbewoners de politie maar bellen.'

Stinkende bende

Wij zijn die buurtbewoners. Wanneer we door ons raam kijken, zien we nu al zestien daklozen liggen. Elke ochtend moeten we hen voorbij. Door de stank van hun uitwerpselen en braaksel, door hun schunnige opmerkingen, door hun gelal. Gisteren trachtte onze fotografe daar een beeld van te maken. Ze werd afgedreigd en moest snel vertrekken. De burgemeester noemt dat persoonlijke vrijheid.

Zijn we dan die stinkende bende gepasseerd, dan is het altijd even je hart vasthouden: in welke toestand zullen we onze wagen terugvinden? Meestal parkeren we in de buurt van de Sint-Katelijnekerk: daar moet in een kelder een bewaker wonen, om de kerk te beschermen tegen inbrekers. Eenmaal per jaar een ingeslagen autoruitje, daarmee kunnen we wel leven. Maar soms is het erger. Twee jaar geleden is de wagen van mijn vrouw opengebroken en half in brand gestoken. Dat was ons slechtste Brusselse jaar, want even later werd in ons appartement ingebroken en is onder andere mijn collectie van vijftig mechanische polshorloges –het enige waar ik ooit wat geld aan gaf– gestolen.

De politieman die vaststelling kwam doen, trachtte te troosten: ‘Ik woon ook in Brussel en vorige week is bij mij ingebroken. Het wordt almaar erger.' Kort daarop werd de portemonnee van mijn vrouw gestolen op de Zuidmarkt.

Je moet overal waakzaam zijn. Vorige zaterdag zag ik dat er nu zelfs in de Vlaamse bibliotheek op het Muntplein een bewaker zit.

Of dan toch blijven?

Na dat bibliotheekbezoek gingen we nieuwe tapijten kopen in Ikea. Zondag hebben we de woonkamer geverfd en de tapijten gelegd. Blijven we dan toch in Brussel wonen? Misschien. Want we zouden ook al die goede mensen missen. De bovenbuurvrouw die altijd cadeautjes uit Marokko meebrengt. De straatvegers die onze wagens trachten te beschermen. Momo die ik soms als bodyguard meeneem op reportage in probleemwijken. Al die mensen die hier trachten te leven, te werken, te wonen, hun kinderen op te voeden.

De politiek moet ons niet vrezen. We gaan niet in opstand komen. Wij Brusselaars schikken ons in ons lot: de instanties gaan het niet oplossen. Omdat het hen niet interesseert, of omdat ze niet weten wat ze moeten doen.

We zullen het zelf moeten oplossen. En hopelijk lopen we ondertussen niet te veel averij op. Anders zullen we uiteindelijk toch verhuizen.

Corrigeer

POPULAIRE VIDEO'S